Depressie is – zoals veel psychische aandoeningen – een ongrijpbare stoornis. Signalen zijn voor zowel degene die het meemaakt als de omgeving soms lastig te herkennen. Hoewel 20% van de Nederlanders er in het leven mee te maken krijgt, trekt een groot deel pas laat of zelfs nooit aan de bel. Hoe ontstaat depressie en hoe effectief is de behandeling? Robert Schoevers is psychiater, hoogleraar en afdelingshoofd Psychiatrie UMCG aan de Rijksuniversiteit Groningen en heeft een schat aan onderzoekservaring over het ontstaan, het beloop en de behandeling van stemmings- en angststoornissen. Hij constateert dat het stigma rondom depressie patiënten ervan kan weerhouden om hulp te zoeken. Buitenstaanders kunnen het zien als aanstellerij of eigen schuld en realiseren zich niet altijd dat behandeling kan helpen. Toch denkt Schoevers dat een omslag gaande is. “Depressie verschijnt nu veel in de media. Tv-programma’s, boeken, online communities; ze dragen allemaal bij aan herkenning en erkenning. Het taboe verdwijnt en daarmee is het voor patiënten makkelijker depressie een plek te geven en behandeling te zoeken. Ze hoeven er minder geheimzinnig over te doen.”

Diagnose: somberheid of depressie

Maar wanneer is iemand eigenlijk depressief? De geldende definitie gaat uit van minimaal twee weken doorlopende somberheid in combinatie met minimaal vier aanvullende symptomen, waaronder slaapproblemen, piekeren, concentratiestoornissen en lichamelijke klachten als vermoeidheid en een gebrek aan eetlust. Een periode van relatieve somberheid hoeft dus niet zonder meer te duiden op een sluimerende depressie. Schoevers merkt dat de twee soms lastig te onderscheiden zijn. Hij legt uit dat iedereen wel eens sombere gevoelens ervaart in reactie op dingen die gebeuren in het leven. De overgang naar depressie is volgens hem niet altijd makkelijk te bepalen, maar er is wel degelijk een verschil met ‘gewoon verdriet’.

Schoevers: “Ik vergelijk depressie met een grauwe deken die over het leven ligt: positieve ervaringen dringen nauwelijks nog door, huilen lucht niet op, je voelt je van binnen gejaagd en ellendig en soms ben je zo somber dat je denkt dat alleen de dood nog verlossing kan brengen.” Dat gevoel is kwalitatief echter anders dan bijvoorbeeld verdriet om het verlies van een dierbare, legt hij uit. “Als je rouwt zijn je gevoelens direct verbonden met dat verlies. Als je er aan denkt schiet je weer vol, maar merk je dat door de dagen heen je stemming ook kan wisselen. Bij depressie lucht huilen niet op en is er geen licht aan het eind van de tunnel.”

Schoevers vertelt dat de lichamelijke gevolgen van depressie zorgen voor fysieke kwetsbaarheid. Zo zouden het immuun- en stresssysteem door de stoornis anders functioneren en lopen mensen met depressie een verhoogd risico op lichamelijke ziekten zoals hartinfarcten. Bovendien is het beloop van ziekten in combinatie met depressie doorgaans slechter. En heeft de stoornis eenmaal zijn intrede gedaan, dan is de kans maar liefst 50 procent dat de klachten na een depressieve episode ooit terugkeren. Deze aanleg is voor een deel erfelijk bepaald, vertelt Schoevers. Maar ook negatieve gebeurtenissen uit het verleden kunnen een rol spelen. Verwaarlozing, mishandeling of seksueel misbruik bij kinderen kunnen leiden tot een chronisch gevoel van stress en machteloosheid en dit gebrek aan grip op het leven kan leiden tot een verhoogde kwetsbaarheid voor depressie later in het leven.

Monitoring: beloop van depressie

Marieke Wichers, als hoofdonderzoeker verantwoordelijk voor het onderzoeksinitiatief TRANS-ID (gefinancierd door de European Research Council), legt uit dat het bestuderen van het individuele beloop van de aandoening kan leiden tot een verbeterde, gepersonaliseerde behandeling. Als onderzoeker probeert zij veranderingen in psychische klachten te voorspellen aan de hand van persoonlijke signalen van patiënten. Door deelnemers gedurende vier maanden intensief te monitoren krijgt ze een intrigerende inzage in het ontstaan van de symptomen van depressie. Bovendien kan dit ook interessant zijn voor patiënten zelf, als zij starten of afbouwen met therapie. Op deze manier krijgen zij namelijk inzage in hun eigen herstelproces. Het onderzoek levert interessante resultaten op, vertelt Wichers: “Het lijkt erop dat psychopathologie werkt als een complex systeem waarin plotselinge verschuivingen kunnen plaatsvinden, voorafgegaan door duidelijke waarschuwingssignalen.”

Ze vergelijkt het met een wipwap in de speeltuin: als iemand probeert over de balk te lopen, ervaart diegene meer instabiliteit naarmate het middelpunt nadert. Hetzelfde geldt voor een instabiele fase van de geest, waarbij die wankelheid in het ergste geval kan leiden tot een kantelpunt naar een depressieve fase. Wichers: “Die instabiliteit kunnen we blootleggen door iemands wisselingen in emoties te monitoren. Waar iemand zelf nog niet per se in de gaten heeft dat zijn of haar instabiliteit groeit, kunnen wij dat via het monitoren van emoties al wel ontdekken.” Daarmee kunnen Wichers en haar collega’s mogelijk sneller zien aankomen of iemand een kantelpunt nadert. Deze methode zou bijvoorbeeld kunnen voorspellen dat diegene terug zal vallen naar een depressieve fase.

Behandeling: psychotherapie en medicatie

Maar blijkt een depressie toch ophanden, dan is deze doorgaans goed te behandelen, benadrukt Schoevers. “Bij een recent ontstane depressie is het advies om eerst te kijken wat nodig is om acute problemen hanteerbaar te maken: hoe kun je die problemen aanpakken en hoe blijf je goed voor jezelf zorgen? Houd een normaal dag- en nachtritme aan, blijf actief, gebruik geen drugs en wees voorzichtig met alcohol. Praktische zaken dus.” Schoevers vertelt dat na een aantal begeleidende gesprekken bij de huisarts, de praktijkondersteuner of een psycholoog de klachten bij de helft van de mensen verdwenen of verminderd zijn. Biedt deze aanpak echter geen noemenswaardig resultaat, dan volgt vaak psychotherapie. Hoe kijkt iemand naar zichzelf en de omgeving, hoe interpreteert diegene dingen die hem of haar overkomen? “Als iemand in staat is om die blik op het leven aan te passen, kan dat helpen om de depressie te overwinnen en weer grip op het leven te krijgen”, aldus Schoevers.

Als psychotherapie onvoldoende resultaat biedt of wanneer de depressie ernstig is, komt behandeling door middel van medicatie in beeld. Hoewel niet iedereen daar baat bij heeft, is duidelijk dat antidepressiva een belangrijke functie kunnen vervullen in de behandeling. Die kan zelfs levensreddend zijn, stelt Schoevers. Een ernstige depressie maakt het leven immers loodzwaar en kan gepaard gaan met suïcidale ideeën, zo legt hij uit. Wichers voegt daaraan toe dat de behandeling goed moet zijn afgestemd op het individu en de regie bij de mensen zelf moet liggen. Ze benadrukt daarbij het belang van monitoring van klachten door de tijd heen, bijvoorbeeld door middel van een app of een link naar vragen op een website. “Door mensen tijdens de behandeling of bij de afbouw van medicatie dagelijks te vragen naar hun gemoedstoestand, krijgen zij meer inzage in hun herstelof terugvalproces. En belangrijker nog: het geeft mensen het gevoel van grip op hun aandoening terug.” Zo is monitoring een waardevolle toevoeging bij het stoppen met antidepressiva. “We constateren dat alleen de monitoring zelf al bijdraagt aan de geestelijke stabiliteit van de deelnemers. Mensen houden nadrukkelijker een vinger aan de eigen pols”, vertelt Wichers.

Toekomstige behandelmethoden

De resterende 20 à 30% van de patiënten ervaart na psychotherapie en medicatie nog altijd onvoldoende vooruitgang. Electroshocktherapie is dan een effectieve optie, maar Schoevers denkt dat ook psychedelische middelen in de toekomst uitkomst kunnen bieden als andere behandelingen niet meer werken. Hij doet met zijn onderzoeksgroep een studie naar ketamine, een middel dat bekend is als anestheticum en acute pijnstiller en vaak als partydrug wordt gebruikt. Ook start een onderzoek naar de werking van psilocybine, de werkzame stof uit paddo’s, om na te gaan of patiënten met ernstige depressie hier – bij gebruik in een gecontroleerde omgeving – baat bij kunnen hebben. “Of deze middelen de belofte waar kunnen maken blijft natuurlijk de vraag. De eerste bevindingen in de wetenschappelijke literatuur zijn hoopgevend maar om dat echt te kunnen vaststellen is gedegen onderzoek nodig”, vertelt Schoevers met enige voorzichtigheid.