Een onderbelichte risicofactor voor hart- en vaatziekten is een slechte mondgezondheid. Relatief weinig mensen weten welke risico’s dit met zich meebrengt. “Je kunt niet zeggen dat een ongezonde mond levensbedreigend is, maar in combinatie met andere factoren – hoog cholesterol, roken, obesitas en slechte voedingsgewoonten – is het wel degelijk een risico.” Dit zegt Bruno Loos, hoogleraar parodontologie aan het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA).

Bij een mondaandoening zoals parodontitis (tandvleesziekte) is het tandvlees rond de wortels en het onderliggende kaakbot van de tanden en kiezen ontstoken. De ernstige vorm komt bij ongeveer 10 procent van de bevolking voor. Parodontitis ontstaat doordat zich tussen tand en tandvlees zogenaamde pockets vormen: het onderliggende kaakbot rondom de gebitselementen verdwijnt en de tanden en kiezen kunnen los gaan staan en op den duur uitvallen.

In de ontstoken pockets bevinden zich schadelijke bacteriën. Het gevolg is dat het weefsel rondom de tandwortels zijn bescherming verliest en bacteriën makkelijker in de bloedbaan terechtkomen, bijvoorbeeld tijdens het tandenpoetsen of eten. Is dat langdurig het geval, dan verergert de ontsteking rond de bloedvaten die zijn aangedaan door aderverkalking. Als ook op andere plaatsen in het lichaam een ontsteking is, zoals bij aderverkalking en aangedane kransslagaderen, wordt het ontstekingsniveau hoger en neemt de kans op harten vaatziekten toe. Bovendien activeren de bacteriën in de bloedbaan bloedplaatjes (trombocyten), die stolsels veroorzaken die kunnen leiden tot een hartinfarct of een beroerte.

Eigen gebit

Van mensen die zelden of nooit poetsen heeft een op de tien een grotere kans op hart- en vaatziekten. Ander onderzoek laat zien dat de behandeling van parodontitis resulteert in een verbetering van de conditie van het vaatstelsel. Daar hebben ook ouderen, een grote risicogroep als het om harten vaatziekten gaat, veel baat bij. Loos noemt het lovenswaardig dat er ‘mobiele tandartsen’ zijn die spreekuur houden in verzorgingshuizen of kwetsbare ouderen thuis bezoeken.

“Hoe langer mensen hun eigen gebit behouden, hoe beter. Mensen die hun eigen tanden en kiezen nog hebben, eten doorgaans gezonder.” Iemand met een gebitsprothese neemt vaak zachter voedsel tot zich dat nauwelijks hoeft te worden gekauwd. Dat is regelmatig vet en zoet, wat de kans op suikerziekte en aderverkalking vergroot. Ook de oudere met tandvleesproblemen heeft recht op een goede behandeling, zegt hij. “Als er een wond op het been of de hand zou zijn, werd die onmiddellijk behandeld. Ontstoken tandvlees is ook een open wond, maar die zie je niet.”

Relatie met diabetes

Er bestaat niet alleen een relatie tussen parodontitis en hart- en vaatziekten, maar ook tussen parodontitis en diabetes, zo is inmiddels vastgesteld. Dat heeft ertoe geleid dat in de standaard van het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) is opgenomen dat een huisarts bij de controle van een patiënt met diabetes informeert naar de mondgezondheid en het tandartsbezoek. “De diabetespatiënt die een ontsteking heeft, bijvoorbeeld reuma, de ziekte van Crohn of parodontitis, heeft kans op een verhoogde insulineresistentie.”

In het geval van parodontitis blijkt dat de behandeling ervan deze insulineresistentie enigszins kan verlagen. Een andere relatie is die tussen parodontitis en longproblemen. Vooral bij ouderen komt het nogal eens voor dat ze zich verslikken, waardoor voedsel met daarin bacteriën in de luchtpijp terechtkomt. Daardoor kan een longontsteking ontstaan. “Helemaal omdat ouderen vaak een grotere plakmassa op de tanden en tongrug hebben, waarin ook bacteriën huizen die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van een longontsteking.”

Vanwege een verlaagde weerstand zijn ouderen daar vaak vatbaarder voor. De eigen tanden houden Wolter Brands, voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT) en zelf tandarts, noemt het opvallend dat ouderen tot de meer trouwe bezoekers van de tandarts behoren. Pas als er allerlei problemen gaan spelen, komt men niet meer. Er zijn een paar zaken die de problemen bij kwetsbare ouderen verergeren, zegt hij. Vroeger hadden ouderen vaak een kunstgebit. Dat eet weliswaar lastiger, maar is veel makkelijker te onderhouden dan het eigen gebit.

Door de verbetering van de zorg wordt men steeds ouder; komen er steeds meer ouderen, en die hebben vaak tot op hoge leeftijd nog eigen tanden en kiezen. Tel daarbij op de sociale veranderingen. Vroeger was er een geleidelijke overgang vanaf het bejaardentehuis via het verzorgingstehuis naar het verpleegtehuis. Nu moeten mensen, samen met hun omgeving, langer voor zichzelf zorgen. Bij mensen die door ouderdom moeite hebben met alledaagse zaken, staat gebitsverzorging meestal niet op de eerste plaats. Bovendien maken allerlei kwalen poetsen niet makkelijk.

“Denk aan reuma of parkinson of dementie. Je bent dan aangewezen op de hulp van verzorgers.” Het lukt alleen als de verzorgende het tandenpoetsen net zo vanzelfsprekend vindt als de dagelijkse wasbeurt. Dat ouderen goed voor hun gebit blijven zorgen is erg belangrijk, stelt hij. Een slechte mondgezondheid kan niet alleen bijdragen aan hart- en vaatziekten en slecht instelbare bloedsuikerspiegels, maar ook aan snellere veroudering van het brein. Net als Loos wijst hij op het belang van goed kunnen kauwen, bijvoorbeeld om ondervoeding tegen te gaan. Een schone mond en frisse adem helpt ten slotte ook bij het onderhouden van sociale contacten.

Goede raad

Onregelmatig of niet naar de tandarts gaan, geeft op den duur problemen, zegt Brands. Kiespijn bijvoorbeeld, een van de beroerdste pijnen die een patiënt kan hebben, of tandvleesproblemen. Aanvankelijk merkt iemand daar weinig van. Het tandvlees kan wat bloeden en soms is de adem minder fris, maar in de beginfase hebben mensen niet veel last. De partner merkt het soms en stuurt de wederhelft naar een tandarts.

De patiënt begint er vaak pas last van te krijgen als het probleem al vergevorderd is. Als bijvoorbeeld de tanden en kiezen los beginnen te staan. “Juist dat sluipende karakter van tandvleesproblemen is lastig.” Niet alle patiënten die door de tandarts worden gewaarschuwd voor een tandvleesprobleem en aangespoord om meer aandacht te besteden aan hun gebit, volgen daadwerkelijk de goede raad op.

Omdat ze op dat moment nog nergens last van hebben, vervallen ze snel in hun oude gedrag, legt Brands uit. “Ze maken hun gebit een paar weken goed schoon om de tandarts een plezier te doen en zijn het vervolgens weer vergeten.” Totdat er problemen ontstaan, zoals een losse tand of kies. In dat geval is er qua behandeling vaak al niet veel meer te doen. Sommige mensen denken dat er nog een implantaat geplaatst kan worden, maar de bacteriën die in het ontstoken tandweefsel rond de tanden zitten zijn ook slecht voor het tandvlees rond een implantaat.

Ook het benadrukken van de link tussen mondproblemen en het risico op hart- en vaatziekten heeft lang niet altijd het gewenste effect. Veel mensen veranderen hun gedrag pas als ze de eerste problemen ervaren. “Neem roken. Er zijn al jaren campagnes tegen roken waarin allerlei mogelijke verschrikkelijke gevolgen getoond worden. Maar er blijft een groep die denkt dat hen dat niet overkomt.”

Wegwerptanden

Bij kinderen wordt de functie van het melkgebit nog wel eens onderschat, vervolgt hij. “Er zijn mensen die het als een soort wegwerptanden zien.” Niets is minder waar. De melktanden houden de plaats open voor de blijvende tanden. Moet een melkkies getrokken worden vanwege kiespijn, dan schuiven andere kiezen op en breekt de opvolger van de getrokken melkkies op een rare plaats door, bijvoorbeeld richting tong of naar het verhemelte. “Het kost dan op latere leeftijd veel tijd voordat een beugel de zaak weer in het gareel heeft.”

Onderzoek naar het tandartsbezoek onder kinderen tussen 2 en 18 jaar laat zien dat er grote regionale verschillen zijn. Met name in Zeeuws-Vlaanderen, het Gooi en de steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag is het verzuim het hoogst. Het laagst is het verzuim in delen van Noord-Brabant, Gelderland, Limburg en Drenthe. In Nederland zijn 500.000 kinderen tussen de 2 en 4 jaar; meer dan de helft gaat niet op controle.

Vanaf 4 jaar stijgt het percentage flink (80 procent). “Maar dan is het kwaad vaak al geschied”, stelt Loos. In het gunstige geval gaat het om een klein gaatje dat gestopt kan worden met de juiste poets- en voedingsadviezen. Maar tandartsen zien ook peuters bij wie tanden getrokken moeten worden of wortelkanaalbehandelingen en kronen nodig zijn. Brands denkt dat het verzuim te maken heeft met een misvatting.

Uit het Nationaal Zorgonderzoek blijkt dat ruim twee op de vijf Nederlanders niet weet dat tandartsbezoek van kinderen vanuit de basisverzekering wordt vergoed zonder eigen bijdrage of eigen risico. Een andere mogelijke verklaring: ouders hebben zelf geen tandartsverzekering en gaan dan ok niet met hun kind naar de tandarts. Zorgwekkend, vindt Brands. “Van een gezond gebit heb je een leven lang plezier. Zelf goed voor je tanden zorgen én elk jaar op controle naar de tandarts is daarvoor de basis. Daar heeft ieder kind recht op.”

Zelfbewustzijn

Toch is er veel verbeterd. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw was het slecht gesteld met de mondgezondheid van de Nederlandse bevolking. Er was nauwelijks aandacht voor preventie van tandbederf en de behandelmogelijkheden waren beperkt. Veel mensen lieten al op relatief jonge leeftijd hun (aangetaste) tanden en kiezen trekken; het kunstgebit werd als een prima alternatief gezien.

In de tweede helft van de jaren zestig veranderde dit. Overheid, gezondheidsinstellingen en tandartsen namen initiatieven om het gebitsbewustzijn te stimuleren. Langdurige publiekscampagnes maakten de bevolking bewust van de noodzaak van gebitsverzorging. Fluoridering van tandpasta en fluorideapplicaties bij de jeugd waren effectief tegen cariës. Tegelijk werd het preventief tandartsbezoek gestimuleerd.

Met periodieke controles kunnen veel gebitsproblemen immers tijdig worden gesignaleerd en kan grote schade worden voorkomen. Ook de snelle ontwikkeling van tandheelkundige technieken en materialen droeg er aan bij dat het trekken van tanden en kiezen steeds vaker voorkomen of uitgesteld kan worden. De beleving en verwachtingen van patiënten ten aanzien van de functionaliteit en vooral ook de esthetiek van het gebit gingen daarin mee. “Een mooi gebit draagt bij aan welbevinden en zelfbewustzijn”, aldus Brands.