Over een kwart eeuw zullen de kosten van zorg zo hoog zijn dat een gemiddeld huishouden een derde van het besteedbaar inkomen aan zorg moet uitgeven, becijferde het Centraal Planbureau (CPB). Om zorg betaalbaar en op niveau te houden moeten zorgprofessionals, bedrijven en patiënten elkaar meer opzoeken en samenwerken aan innovatieve oplossingen en toepassingen.

Dit stellen Antoinette de Bont, bijzonder hoogleraar sociologie van innovaties in zorg aan de Erasmus Universiteit en Wim Groot, hoogleraar gezondheidseconomie aan de Universiteit van Maastricht en lid van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg. De samenwerking tussen zorgprofessional en patiënt is al jaren gestructureerd in vaste formats, zoals de patiënttevredenheidsenquête, de patiëntenraad en het patiëntenpanel. Die formats maken het lastig om daadwerkelijk samen te werken en innovatief te zijn, zegt De Bont. “Als patiënt speel je niet op je eigen veld. Je moet antwoord geven op vragen die minder met je eigen situatie en meer met de situatie van de vraagsteller te maken hebben.”

Een andere beperking is het verschil in beleving. Verandermanagement staat volgens De Bont soms mijlenver af van de belevingswereld van de zorgverlener op de werkvloer of de patiënt in het ziekenhuisbed of thuis. Veel innovaties zijn technisch gedreven, waardoor er soms onvoldoende aandacht is voor wat er echt toe doet. De Bont pleit voor meer variëteit in de samenwerking tussen zorgaanbieders en patiënten. “Je moet zien wat de ander ervaart. Hoe leeft een patiënt eigenlijk thuis?” Ze verwijst naar een proef in de Verenigde Staten, waar een camera een patiënt volgde die na zijn ziekenhuisopname weer naar huis mocht. Daaruit bleek dat de patiënt vrijwel niets meer wist van de medische instructies die hij bij zijn vertrek had meegekregen. Op het moment dat hem werd verteld wat wel en niet te doen, was hij met zijn hoofd al buiten. “Daarvan is geleerd dat het beter is de patiënt op een later moment de nodige instructies te geven. Een simpele innovatie, maar heel effectief.”

Dansen voor gezondheid

Er zal op een andere manier naar zorg gekeken moeten worden nu de terugtrekkende overheid en de mogelijkheden om digitaal te communiceren en kennis te delen, de verhouding tussen (zorg)organisaties en burgers (patiënten) radicaal heeft veranderd. Mensen kunnen en gaan steeds meer zelf organiseren. Om de betekenis van ‘anders denken’ onder de aandacht te brengen, organiseerde De Bont een zomerschool (‘Gezond en plezierig leven voor iedereen: hoe houdt de zorgsector contact met de samenleving?’). Doel was het verkennen van de rol van organisaties (overheid/beleidsmaker, verzekeraars, leveranciers, kennisinstellingen) in relatie tot initiatieven in de samenleving voor een gezond en plezierig leven. Volgens De Bont gaat het vooral om het stimuleren van verbindingen tussen organisaties en burgers. “Een beweging van formeel instituut naar informele leefomgeving.”

Tijdens de zomerschool werd gewerkt volgens de methode van Design Thinking (DT), gebaseerd op logica, analyse, verbeelding en doen. “Je gaat mogelijkheden verkennen. Niet probleemgericht, zoals wetenschappers doen, maar oplossingsgericht en actiegericht.” Wat is nodig om de patiënt en elkaar beter te kunnen helpen? Als die behoefte ontdekt en begrepen wordt, kan de basis voor zinvolle vernieuwing gelegd worden. De Bont vindt dat het bijeenbrengen van inzichten uit verschillende disciplines innovatieve vruchten kan afwerpen. Als voorbeeld noemt zij Dance for Health, waar de kennis en kunde van de artistieke en medische wereld elkaar raken.

Parkinson, reuma en MS kunnen het gevoel van contact met het lichaam verstoren. Bewegingen zoals lopen, schrijven en iets vastpakken, die de meeste mensen als vanzelfsprekend ervaren, worden moeilijker en dat heeft grote invloed op het dagelijks leven. De Dance for Health-programma’s combineren kennis en specifieke ervaring uit de moderne dans, klassiek ballet en fysiotherapie. Door middel van dans, muziek en verbeeldingskracht wordt gewerkt aan balans, flexibiliteit, kracht, coördinatie en houding. In de fysieke training wordt ook de creativiteit geprikkeld, zodat mensen hun eigen kracht en mogelijkheden kunnen (her)ontdekken. Daardoor voelen ze zich energieker, fitter en beter.

Organisatiekracht

Ook organisatorische verandering kan innovatief zijn, vervolgt De Bont. Zo subsidieerde het ZonMw-programma Op één lijn bijna zeventig projecten gericht op organisatieontwikkeling en samenwerking in de eerste lijn. Deze zorg, die direct toegankelijk is voor de burger (zoals huisartsen en maatschappelijk werk), krijgt steeds meer taken en verantwoordelijkheden voor ouderen en chronisch zieken, maar ook voor de geestelijke gezondheidszorg, jeugdzorg, welzijn en preventie. “Het vraagt van kleinschalige praktijken, die traditioneel de eerste lijn vormen, een innovatieve kijk om deze rol te kunnen blijven vervullen.” Sommige praktijken zetten de stap naar schaalvergroting. Ze richten centra in met meerdere zorgdisciplines onder één dak en gaan samenwerkingsverbanden aan met elkaar of met tweedelijns instellingen.

Andere praktijken gaan lossere samenwerkingsverbanden aan en zien meer heil in het creëren van netwerken of virtuele organisaties om hun organisatiekracht te vergroten en de beoogde innovatie te realiseren. “Ondertussen is gebleken dat bij de meerderheid van de projecten een grotere organisatiekracht is bereikt.” Het programma heeft een aantal belangrijke lessen opgeleverd. Bijvoorbeeld: verander een team niet, ook al is het nog niet succesvol. Voortzetting van bestaande samenwerkingsverbanden heeft een meerwaarde voor organisatieontwikkeling. Een ander les is dat een vruchtbare bodem de groei van organisatieontwikkeling stimuleert. Een ‘hechte’ omgeving, waarin minder concurrentie is, heeft meer kans van slagen dan een concurrerende omgeving.

Toename e-health

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft circa 130 miljoen euro uitgetrokken om medisch-technologische innovaties te stimuleren. Grotendeels gaat het om publiek-private samenwerking tussen overheid, bedrijven in de sector Life Sciences & Health, wetenschappelijke onderzoeks- en kennisinstellingen en gezondheidsfondsen. Het vertrekpunt moet zijn wat individuele patiënten nodig hebben en niet wat de zorg of de medische technologie aanbiedt. In de plannen gaat het niet alleen om innovaties in hoogcomplexe zorg, zoals het kweken en printen van organen of het vroegtijdig opsporen van ziekten via nanotechnologie. Ook vernieuwingen in de laagcomplexe zorg en de preventie dragen bij aan de kwaliteit van leven, de zelfredzaamheid en de betaalbaarheid van zorg. In haar beleidsagenda 2018 stelt VWS dat e-health mensen helpt om de regie te voeren over hun leven en gezondheid. Zorg is niet meer per se gebonden aan tijd of plaats, maar kan in de eigen omgeving worden georganiseerd. Patiënten met chronische aandoeningen kunnen met behulp van slimme technologie, zoals beeldschermzorg en domotica, blijven werken en meedoen.

Mensen met geestelijke gezondheidsproblemen kunnen soms sneller online worden geholpen door een professional, zodat ze weer verder kunnen met het dagelijks leven. Ook in de verpleeghuiszorg kan e-health de kwaliteit van leven van mensen verbeteren. Hoewel face to face-contact altijd blijft bestaan, kunnen zorgverleners online vaker contact met patiënten hebben. “Dankzij innovatie hebben zorgverleners meer tijd over om patiënten en cliënten aandacht te geven, terwijl de zorg betaalbaar blijft.”

Tekort aan zorgpersoneel

Met medische innovaties als thuistechnologie, innovatieve geneesmiddelen en ketenzorg kunnen zorginstellingen het toekomstige tekort aan personeel ondervangen, zo bleek uit een onderzoek een aantal jaren geleden. Zorgeconoom Wim Groot, een van de onderzoekers: “Door vergrijzing dreigt een structureel tekort aan goed opgeleid zorgpersoneel. Rond 2025 zou bijna 25 procent van de Nederlandse beroepsbevolking in de zorgsector werkzaam moeten zijn om aan de stijgende zorgvraag te voldoen.” In het onderzoek is gekeken naar drie veelvoorkomende aandoeningen waarbij een groot beroep wordt gedaan op (psychiatrische) ziekenhuizen: COPD/astma, hart- en vaatziekten en psychische stoornissen. Deze drie ziekten waren in 2007 goed voor ongeveer 166.000 (psychiatrische) ziekenhuisopnamen. De zorginstellingen hebben samen 7200 personeelsleden kunnen besparen door gebruik van tien innovatieve geneesmiddelen. De besparing is nog veel groter, stelt Groot. “We beschikten voor het onderzoek over de gegevens van slechts tien geneesmiddelen, terwijl er een veelvoud aan nieuwe medicijnen is.”

Als meer patiënten met meer innovatieve geneesmiddelen worden behandeld, komen de personele besparingen in 2025 uit op ongeveer 10.000 fte. De studie leert dat medische innovatie een bijdrage levert aan verhoging van de arbeidsproductiviteit in de gezondheidszorg: negeren de zorginstellingen deze ontwikkeling dan worden ze geconfronteerd met een chronisch tekort aan handen aan het bed. Zorginnovatie leidt niet vanzelfsprekend tot lagere kosten, legt de zorgeconoom uit. Medische technologische vernieuwingen leiden soms eerder tot hogere kosten. Als aandoeningen waar mensen voorheen aan overleden door nieuwe behandelingen chronische ziekten worden, zullen zorgkosten toenemen. Het belangrijkste is dat innovatie vaak tot een betere kwaliteit van zorg leidt; tot meer kans op genezing, verlengde levensverwachting en kwaliteit van leven. “Daarnaast zorgen arbeidsbesparende innovaties ervoor dat je de krapte op de arbeidsmarkt in combinatie met het toenemend zorggebruik kunt opvangen.”

Afschaffen zorgverzekeraars

De komende generaties zullen zorg anders moeten organiseren om haar betaalbaar te houden. Een nationaal zorgfonds, zoals een politieke partij voorstelde is geen optie, aldus Groot. De partij wilde de zorgverzekeraars afschaffen en de zorg weer centralistisch regelen, zoals in het voormalige ziekenfonds.

Groot en andere zorgeconomen wijzen erop dat het Nederlandse zorgstelsel weliswaar duur is, maar dat dit niet zozeer ligt aan de private zorgverzekeraars. Het komt doordat in ons land meer langdurige zorg wordt verleend dan in andere Europese landen. Verder zijn het niet de zorgverzekeraars maar is het de overheid die de hoogte van het eigen risico bepaalt. “Het huidige systeem functioneert prima. De zorgverzekeraars afschaffen en een nationaal zorgfonds introduceren zou de staat 6 miljard euro kosten. Dat moet je niet willen.” Innovatief noemt hij het initiatief van een ziekenhuis in Zeeland, dat als eerste in Nederland complete operatiekamers (de ruimte en medische apparatuur) van een commerciële partij huurt. De patiëntenfederaties reageerden enthousiast: de patiënt kan met hypermoderne apparatuur in zijn eigen regio worden geholpen, terwijl het ziekenhuis met deze oplossing de zorgkosten laag houdt. Dat laatste is volgens Groot nog maar de vraag. Met een leasecontract is men immers altijd duurder uit: dat is met een operatiekamer niet anders dan met een auto. Begrip voor de actie heeft hij wel. Als banken niet bereid zijn extra geld te lenen, gaan instellingen op zoek naar alternatieven.

Solidariteit

Om bij alle vernieuwingsdrang het basisprincipe van het zorgsysteem – solidariteit – te waarborgen, bepleitte directeur Kim Putters van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) een nieuwe blik op het organiseren van solidariteit rond sociale risico’s tussen zieken en gezonden en tussen mensen met hoge en lage inkomens. Hij deed dat in zijn oratie bij de aanvaarding van de leerstoel ‘beleid en sturing van de zorg in de veranderende verzorgingsstaat’ aan de Erasmus Universiteit. Steeds vaker ervaren mensen minder profijt van die solidariteit, zijn ze niet geholpen met voorzieningen of kunnen ze het zelf beter regelen, aldus Putters. Het onbehagen neemt hierdoor toe. Tegelijkertijd neemt de groep kwetsbare mensen bij wie problemen zich opstapelen ook toe. Hierdoor groeit ook het wantrouwen jegens instituties. Politici, zorgbestuurders en dokters worden steeds minder vertrouwd in ‘het goede’ te doen. Putters vindt dat er een vernieuwd sociaal contract nodig is. Zo moet duidelijk zijn wat overheid en burgers van elkaar kunnen verwachten. Daarvoor is meer maatschappijvisie nodig en beter inzicht in de situatie van cliënten en hun families. Niet alle groepen zijn voldoende zichtbaar. “Denk aan jonge mantelzorgers, arme werkenden en mensen die niet snel hun mond opendoen of zorg mijden. Hoe ga je met kwetsbare burgers om? Dit moet het onderwerp zijn van voortdurend debat tussen burgers en gemeenteraden.”

Achterblijvers

We moeten nieuwe manieren vinden om risico’s te delen, vindt Putters. Dat kan bijvoorbeeld via zorgcoöperaties van groepen burgers die onderling hulp, contacten en andere voorzieningen bieden of die voor de coöperatie regelen. Het is zaak om het begrip ‘gezondheid’ opnieuw in te vullen. Niet alles kan medisch worden opgelost. Ook werk, sociale contacten, vaardigheden en andere hulpbronnen bepalen de kwaliteit van leven. Dat vraagt om meer samenwerking tussen zorgverleners en andere organisaties. “Mensen overzien niet altijd alle medische besluiten, met alleen ‘eigen regie’ en ‘eigen verantwoordelijkheid’ kom je er dus niet.” Overleg met de zorgvrager blijft daarom volgens de SCP-directeur belangrijk, maar die hoeft de regie niet helemaal op zich te nemen. Daarvoor heb je zaakwaarnemers nodig, zoals casemanagers, buddy’s, wijkverpleegkundigen en zorgverzekeraars. “Die staan echter vaak in een negatief daglicht, omdat zij de beslissingsruimte van hulpbehoevenden zouden inperken. Herwaardering van hun rol is hard nodig.”

Er moet helderheid komen over de basiszorg waar mensen op kunnen rekenen. Als een bovenlaag – de mondige, hoogopgeleide, digitaal vaardigen – structureel betere toegang en kwaliteit krijgt, dan ebt het draagvlak om risico’s te delen weg. Landelijk zijn op hoofdlijnen afspraken nodig die lokaal ingevuld worden. Het Rijk kan bij opleidingen, kennisinfrastructuur en evaluaties het voortouw nemen, ook al lijkt dit in tegenspraak met lokaal en kleinschalig ‘maatwerk’. Tot slot moet de opgedane, wetenschappelijke kennis beter worden gebruikt. Dat kan zich uiten in sneller delen, leren van slechte praktijken en beleid daarop aanpassen. “Als onduidelijk blijft wat burgers van de overheid kunnen verwachten, terwijl de verschillen in gezondheid en het verschil in de positie tussen een bovenlaag en een groep achterblijvers groter wordt, groeit het onbehagen.”