De afgelopen jaren heeft de antistollingszorg in Nederland diverse veranderingen ondergaan. Een daarvan is de introductie van nieuwe medicijnen: de NOAC’s (nieuwe orale anticoagulantia), ook wel aangeduid als DOAC’s (directe orale anticoagulantia). Hoe kijken arts en patiënt tegen deze ontwikkeling aan?

Tot niet zo lang geleden was er voor thuisbehandeling van patiënten met boezemfi brilleren of trombose aan het been maar één soort middel beschikbaar: de vitamine K-antagonisten. Omdat deze individueel moeten worden ingesteld, zaten patiënten regelmatig bij de trombosedienst.

Sinds de komst van de NOAC’s in 2012 zijn deze bezoeken voor steeds meer patiënten verleden tijd, omdat het bij deze nieuwe middelen niet meer nodig is de stollingswaarde van het bloed te controleren. Voor patiënten kan dat de situatie gemakkelijker maken, vertelt Wim Buding, lid van de Cliëntenraad Trombose Diensten Nederland (CTD Nederland).

“Tegelijkertijd hebben de NOAC’s het voor artsen juist ingewikkelder gemaakt, omdat er een groter aantal behandelopties is en er meer kennis moet worden bijgehouden en verspreid”, vult Karina Meijer aan, hoofd sectie Stolling in het UMC Groningen.

Aansluiting in de keten

Een tweede verandering die Meijer en Buding noemen heeft betrekking op de keten rondom antistollingszorg. Zo is de behandeling van trombosebenen en longembolie vanuit het ziekenhuis meer en meer bij huisartsen terechtgekomen.

Naast huisartsen maken ook apothekers, trombosediensten, specialisten en zorginstellingen die het toedienen van de nieuwe middelen in de gaten houden deel uit van de keten. “Om erop toe te zien dat alle ketenpartners goed op elkaar aansluiten, is de richtlijn Landelijke Standaard Keten Antistolling opgesteld”, licht Buding toe.

Nieuwe rol trombosedienst

Omdat veel mensen inmiddels NOAC’s slikken en de stollingswaarde van hun bloed niet meer hoeven te laten controleren, zal het aantal patiënten dat door de trombosedienst wordt gemonitord sterk dalen. De trombosedienst controleert nog wel patiënten die niet in aanmerking komen voor NOAC’s en daarom vitamine K-antagonisten blijven gebruiken.

Dit is een gecompliceerde groep patiënten, legt Meijer uit. De trombosedienst blijft over met een kleinere populatie waar comorbiditeit (meerdere aandoeningen tegelijkertijd), oudere mensen en moeilijkere diagnoses vaker vertegenwoordigd zijn. “Het aantal patiënten dat gemonitord moet worden is dus kleiner, maar de complicatiegraad van de populatie is groter.”

Voor kleine trombosediensten wordt het door deze veranderingen lastig om voort te bestaan. Trombosediensten zullen moeten inspelen op het afnemende aantal patiënten, bijvoorbeeld door te fuseren en zich te ontwikkelen tot expertisecentrum.

Het is van groot belang dat de kennis en kunde van de trombosediensten op regionaal niveau wordt vastgehouden, benadrukt Buding, zodat mensen die de dienst nodig hebben op dezelfde goede behandeling kunnen rekenen. “Op dit moment is de expertise die trombosediensten in Nederland over de jaren hebben opgebouwd van heel hoog niveau, ook internationaal gezien. Die kennis en kunde moeten in de keten behouden blijven.”

Meer regionale expertisecentra

De trombosediensten zijn momenteel bezig zich aan te passen aan het veranderende landschap. Meijer pleit voor het opzetten van meer regionale expertisecentra, een maatregel die ook in de nieuwste versie van de Landelijke Standaard Keten Antistolling wordt aanbevolen.

Het is, zoals Buding al aangaf, belangrijk dat de kennis van diagnostiek en behandeling van trombose breed blijven worden ingezet, en deze centra kunnen daar een grote rol in spelen. “Door expertise op deze manier te clusteren, heeft iedere patiënt toegang tot de zorg die voor hem of haar het beste is, onafhankelijk van waar hij of zij woont”, besluit Meijer.