Antistollingsmiddelen scoren hoog als oorzaak voor potentieel vermijdbare ziekenhuisopnames. Dit blijkt onder meer uit het Harm-Wrestling-rapport.

Het belang van indicatiestelling en toezicht

Een te hoge dosering kan leiden tot een bloeding. Een te lage dosering kan leiden tot trombose zoals bijvoorbeeld een longembolie, herseninfarct of hartinfarct. De diagnose moet daarom zorgvuldig worden gesteld en er dient permanent toezicht te zijn op de gezondheid van de patiënt. Hoewel de indicatiestelling en het toezicht inmiddels zijn verbeterd, is de structuur van vooral de regionale zorg nog niet optimaal.

Protocol voor antistollingsmiddelen?

Tot nu toe werden antistollingsmiddelen (vooral zogenaamde vitamine K-antagonisten) voorgeschreven door specialisten in combinatie met controle door de trombosedienst. De trombosedienst is in deze keten de casemanager. Voor nieuwe antistollingsmiddelen en ook voor bloedplaatjesremmers, zoals aspirine, clopidogrel en combinaties daarvan, bestaat nog geen landelijk protocol. Circa een miljoen patiënten gebruiken medicijnen die de kans op trombose verminderen. Gezien de risico’s die behandeling met zich meebrengt is het essentieel dat deze patiënten goed in beeld blijven bij alle betrokken partijen.

Antistolling 2.0

Sinds 2009 zijn maatregelen genomen ter verbetering van de zorgstructuur. In de Landelijke Standaard Ketenzorg Antistolling 2.0 wordt gepleit voor een regionale aanpak, waarbij toezicht is op het gebruik van alle antistollingsmiddelen. Patiënten en behandelaars hebben nauw contact over alle praktische aspecten rond antistolling en bloedplaatjesremmers. Een regionaal expertisecentrum ondersteunt behandelaars met onder meer advies, bijscholing, bespreking van complicaties en coördinatie van protocollen.