Mensen met bepaalde psychiatrische aandoeningen vertonen vaker dan gemiddeld ernstig delictgedrag. Bij het onderzoek naar het ontstaan van het delict en het bepalen van het risico op herhaling is belangrijk dat duidelijk wordt of en in welke mate functiestoornissen hebben geleid tot het plegen van het delict. Die kennis is vooral van belang voor het uitbrengen van advies over bijvoorbeeld behandelmogelijkheden.

Diagnose aan de hand van de DSM

Bij het stellen van een diagnose maken forensisch psychiaters gebruik van het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. Per aandoening noemt het DSM een aantal criteria aan de hand waarvan de uiteindelijke diagnose kan worden gesteld. Dit is echter niet het belangrijkste onderdeel van het forensisch psychiatrisch onderzoek. Het gaat er vooral om welke factoren en omstandigheden hebben geleid tot het delictgedrag. “Vaak voldoet iemand aan een aantal criteria maar is één enkel criterium of een andere factor verklarend voor het gedrag op het moment van het delict”, stelt GZ-psycholoog dr. Erik Bulten.

Risico op recidive

Maar zelfs als de behandeling wordt toegespitst op deze factoren betekent dat niet dat het risico op recidive vanzelfsprekend vermindert. Er zijn altijd meer aspecten die een rol spelen. “Impulsiviteit bijvoorbeeld is afhankelijk van de context”, legt Bulten uit. “Wie alcohol gebruikt, raakt vooral van slag als er in de omgeving dingen zijn die hij associeert met alcoholgebruik.” Dat betekent dat je niet alleen moet werken aan de impulsregulatie maar ook de invloed van de omgeving wilt meenemen in de behandeling. Kun je iemand leren bepaalde omgevingen te mijden of kun je de omgeving zo beïnvloeden dat de trigger verdwijnt sterk wordt verminderd?

Oorzaken van delictgedrag

Als onderzoek wordt gedaan naar het ontstaan van de aandoening blijkt vaak al op jonge leeftijd sprake te zijn van een patroon van regelovertredend en agressief gedrag of andere gedragsstoornissen. Desondanks zijn deze stoornissen, die op groepsniveau al zijn geassocieerd met dysfuncties van het brein, op zichzelf geen indicator voor criminaliteit. Het is juist de combinatie van kindfactoren en de invloed van ouders, leraren en vrienden die bepalend is voor het al dan niet ontwikkelen van ongewenst gedrag.

Het effect van exclusie

Het gebeurt regelmatig dat kinderen en jongeren die zich ongepast gedragen letterlijk uit de groep worden gestoten. Het gevolg van die exclusie is dat zij aansluiting zoeken, en vaak ook vinden, bij leeftijdgenoten die ook regelovertredend en agressief gedrag vertonen. Doordat zij een ‘kwetsbaar brein’ hebben, tot een leeftijd van circa 25 jaar is het brein nog in ontwikkeling, zijn deze jongeren makkelijk te beïnvloeden. De omgeving kan in die periode een negatief maar ook een positief effect hebben. Oudertraining, gezinsinterventies, begeleiding en behandeling kan bijdragen aan het ombuigen van negatieve patronen.

“Voordat je reageert met repressie, afkeuren en afwijzen, moet je de agressieve, onaangepaste jongere vragen waarom hij of zij zich zo gedraagt”, adviseert Arne Popma, hoogleraar forensische psychiatrie en kinder- en jeugdpsychiater. “Maar al te vaak groeien deze jongeren op in een hele agressieve en vijandige omgeving. Wat je ziet en ervaart, doe je ook vaak zelf.” Hoe eerder exclusie plaatsvindt, des te groter de kans dat de jongeren een carrière maken in de criminaliteit. Hoe eerder er wordt ingegrepen, des te groter de kans dat de negatieve spiraal definitief wordt doorbroken.