Binnen de zorg is constant innoveren essentieel. De innovatie wordt gedreven door voortschrijdende inzichten wat betreft de effectiviteit van behandelingen, aldus Ernst Bohlmeijer, hoogleraar Mental Health Promotion aan de Universiteit Twente. Zorginstellingen kunnen dus niet om innovatie heen. Toch wordt dit niet altijd op de best mogelijke manier gestimuleerd en kan het voor organisaties lastig zijn hier tijd en energie aan te besteden. Omdat de samenleving zich blijft evolueren, is het voor zorginstellingen van groot belang continu door te ontwikkelen, stelt Bohlmeijer. “Doorontwikkeling is een kenmerk van vitale organisaties.” Enerzijds moeten deze organisaties inspelen op nieuwe sociale ontwikkelingen; zo worden mensen steeds mondiger en kunnen zij meer kennis vergaren. Anderzijds schrijdt de technologie voort, waarbij steeds meer wetenschappelijke inzichten komen over wat wel en niet werkt in de zorg, en wordt steeds meer bekend over de oorzaken van ziekten. Zorginstellingen kunnen hier op allerlei manieren mee leren omgaan en hun zorg hierop aanpassen.

Ruimte voor innovatie

Om te kunnen innoveren zijn een goede visie en doelmatige bedrijfsvoering onmisbaar. Vanuit een goede visie kan gekeken worden waar de kansen liggen, en ontstaat de bereidheid om die innovaties ook te stimuleren, legt Bohlmeijer uit. Daarnaast moet er een cultuur bestaan waarin professionals gewaardeerd en gestimuleerd worden om mee te denken over hoe de zorg beter kan. Niet voor alle organisaties is innoveren echter even vanzelfsprekend. Dit komt doordat er flink bezuinigd wordt op de zorg en zorginstellingen hierdoor steeds meer tijd kwijt zijn met het ‘verdienen van hun geld’. Bohlmeijer: “Hierdoor verlies je een belangrijke voorwaarde voor innovatie. Organisaties moeten een goede balans kunnen bewaren tussen het bieden van zorg en ruimte voor innovatie. Om dit mogelijk te maken, is het nodig dat de juiste financiële randvoorwaarden geschept worden.”

Lastige omstandigheden

Binnen de geestelijke gezondheidszorg voor lichte tot matige psychische problemen, de basis-ggz, bevinden zich organisaties voor wie innoveren erg lastig kan zijn. Bea Tiemens, bijzonder hoogleraar Evidence based practice in mental health care bij Radboud University, vertelt dat met name bij de instellingen die basis-ggz bieden de duimschroeven zijn aangedraaid. Veel van deze organisaties krijgen een tarief voor de basis-ggz dat nauwelijks kostendekkend is. Als gevolg hiervan worden zij niet bepaald gestimuleerd om te innoveren. Om de zorg te kunnen blijven bieden tegen de lagere tarieven die gedeclareerd mogen worden, moeten behandelaren flink productie draaien, weet Tiemens. Willen zij daar iets omheen doen, zoals innoveren, dan is dat heel ingewikkeld om gefinancierd te krijgen. Ondanks deze lastige omstandigheden wordt er wel degelijk geïnvesteerd in innovaties binnen de basis-ggz, benadrukt Tiemens. “Dit is enkel het geval omdat de organisaties en hun mensen heel erg bevlogen zijn. Zij willen echt de beste zorg kunnen bieden.” Dit lukt onder andere door op het gebied van onderzoek en innovatie met andere ggz-instellingen samen te werken.

Belang van patiënt staat voorop

Niet alleen binnen de ggz wordt het organisaties financieel gezien niet altijd even makkelijk gemaakt. Ook veel revalidatie-instellingen hebben hiermee te maken, vertelt Gerard Hoogvliet, bestuurslid van Revalidatie Nederland. Met het oog op de patiënt wordt revalidatie in toenemende mate thuis aangeboden. Innovatieve apps kunnen dit proces bijvoorbeeld ondersteunen. Echter kost het ontwikkelen van deze apps wel geld. En waar de apps behandeltijd besparen, krijgen de instellingen minder opbrengsten, aldus Hoogvliet. Daarnaast zijn de ontwikkelkosten van apps lastig financieel te dekken, omdat zorgverzekeraars deze kosten lang niet altijd vergoeden. “Kortom: apps zijn een mooie ontwikkeling met toegevoegde waarde, maar de invoering daarvan in de revalidatiepraktijk is een behoorlijke klus.” Hij legt uit dat instellingen relatief weinig vergoed krijgen voor kort klinische opnamen (korter dan twee weken). Dit maakt deze vorm van revalidatie minder aantrekkelijk. Toch zorgt de sector ervoor dat deze kortdurende klinische zorg wel wordt geboden, want de patiënt is hier bij gebaat. Immers, zo legt Hoogvliet uit, blijft het leveren van goede medisch specialistische revalidatiezorg de eerste prioriteit van de sector.

Samenwerken en kennisdeling

Om te kunnen innoveren zijn revalidatiecentra afhankelijk van projectsubsidies, extra afspraken met zorgverzekeraars of initiatieven vanuit de sector. Het eigen budget biedt hier namelijk nauwelijks of geen ruimte voor. Dit remt volgens Hoogvliet innovatie. Toch zijn er goede ontwikkelingen gaande. De sector werkt goed samen en kennis wordt gedeeld om innovaties te kunnen ontwikkelen en implementeren. Als voorbeeld noemt hij e-health, waarmee patiënten betere zorg kan worden geboden en patiënten meer eigen regie hebben. Binnen de revalidatiezorg is deze eigen regie erg belangrijk omdat patiëntparticipatie essentieel is voor herstel, vertelt Hoogvliet. Daarnaast wordt revalidatie met behulp van virtual reality steeds meer gangbaar, en worden ondersteunende looprobots in meerdere centra als onderdeel van de behandeling toegepast. “Maar ook het organiseren van ketenzorg, op basis van stepped care, is in volle gang”, legt Hoogvliet uit. Hierbij wordt in eerste instantie de minst intensieve behandeling aangeboden die passend is bij de zorgvraag van de patiënt, en krijgen zij alleen een intensievere, duurdere, behandeling als deze onvoldoende resultaat oplevert. Tot slot wordt de samenwerking aangegaan met aanpalende specialismen, met als doel de patiënten zo snel mogelijk op de juiste plek te krijgen. Om het revalidatie-instellingen makkelijker te maken te investeren in innovaties, werkt de sector aan een nieuw bekostigingssysteem waar de verkeerde financiële prikkels uit zijn gehaald. Hoogvliet: “Als een innovatie betekent dat er minder behandeluren nodig zijn, dan wordt dit niet gelijk in de opbrengsten afgeroomd. Geld dat bespaard wordt door lagere kosten door minder personele inzet kan dan ingezet worden voor de financiering.”

Participatie en zelfregie

Ook binnen de ggz is innoveren een breed begrip, stelt Tiemens. Zo zijn er technologische oplossingen, zoals e-health en serious gaming. Bohlmeijer en Tiemens zijn wel van mening dat de ggz wat betreft deze innovaties wat achter is gebleven. “In het begin bestond e-health in de ggz voornamelijk uit het digitaliseren van zelfhelpboekjes, nu is bekend dat meer nodig is”, vertelt Tiemens. Bohlmeijer voegt toe dat e-health goed gebruikt kan worden voor psycho-educatie, waarbij cliënten leren over de oorzaak van hun psychische klachten en wat ze zelf kunnen doen. “Dit kan goed getraind worden met e-health, en geeft hen een stukje zelfstandigheid. Ze kunnen spelenderwijs nieuwe inzichten krijgen en vaardigheden aanleren.” Hij stelt zelfs dat de door technologie gestuurde innovaties zoveel kansen bieden, dat zorginstellingen die hier geen gebruik van maken hun cliënten tekort doen. Een andere, minder technische kant van innoveren binnen de ggz betreft samenwerking met enerzijds andere zorgpartners en anderzijds het netwerk van de cliënt. Dit is ook nodig als deze organisaties cliënten willen helpen bij het versterken van zelfregie en bij de participatie in bijvoorbeeld werk, legt Tiemens uit. “Het netwerk betrekken, dat moeten behandelaren leren. Hoe kan je andere mensen inzetten, en hoe kun je de cliënt ondersteunen daarin ook zelf dingen te ondernemen?” Dit leren valt volgens haar ook onder innovatie.

Zo snel mogelijk beter

Omdat iedereen de beste zorg verdient, blijft innoveren in iedere zorgsector van groot belang, benadrukt Tiemens. Ook bij de beste evidence based-behandelingen zijn er altijd cliënten en patiënten die niet of niet snel genoeg beter worden. Er is dus altijd ruimte voor verbetering. “We blijven innoveren omdat we willen dat iedereen beter wordt, zo snel mogelijk. Zodat zij hun leven weer kunnen oppakken. Niemand zit te wachten op een behandeling die jaren duurt.”