Kwaliteitsregistraties hebben hun doel voor zorginstellingen al ruimschoots bewezen, maar wordt dat doel niet tegelijkertijd voorbijgeschoten? Waar ligt de grens tussen registreren om de kwaliteit van zorg te verbeteren en registreren om het registreren? Dit vraagt Jacobine Geel, voorzitter van GGZ Nederland, zich af. “We moeten het gesprek aangaan over verdere standaardisering.”

Waar worden kwaliteitsregistraties voor ingezet in de geestelijke gezondheidszorg?

“Grofweg zijn er twee clusters te onderscheiden: de kant van de patiënten en de bedrijfsmatige kant. De registratie die volledig in dienst staat van patiënten omvat onder meer gegevens over de anamnese, de diagnosestelling, het behandelplan dat opgesteld wordt en de vorderingen die hiermee gemaakt worden.

 

Het bijhouden van dergelijke gegevens is van grote toegevoegde waarde voor zowel patiënt als behandelaar om te bepalen of een behandeling aanslaat, waar je samen staat en of je op het juiste spoor zit. Zo wordt veel inzichtelijker wanneer het punt is bereikt dat een behandeling is voltooid, of juist wanneer gekozen moet worden voor een ander behandelplan. Er is altijd ruimte voor verbetering.

Registratie bevordert bovendien de dialoog tussen medewerkers onderling en tussen verschillende instellingen. Ervaringen en kennis kunnen worden uitgewisseld over aanpak, tempo en effecten van een behandeling. Professioneel patiëntgericht leren wordt gefaciliteerd.

Daarnaast is het ongelooflijk belangrijk om in control te zijn wat betreft de bedrijfsvoering. Aan deze kant worden gegevens geregistreerd over veiligheid en kwaliteit in brede zin. Hieronder vallen bijvoorbeeld brand- en medicatieveiligheid, maar ook de veiligheid van (ambulant werkende) medewerkers. Op deze manier kunnen instellingen analyseren of regels en richtlijnen, die gezamenlijk zijn opgesteld, ook daadwerkelijk worden nageleefd.”

Wordt de kwaliteit van zorg hierdoor verbeterd?

“Ja. Kwaliteitsregistraties garanderen dat professionals worden geconfronteerd met de manier waarop ze te werk gaan, iedere keer als zich een vraagstuk of incident voordoet. Regels kunnen zodoende onder de loep worden genomen en waar nodig worden aangescherpt. Dit voortgaande proces van leren zorgt ervoor dat instellingen continu bezig zijn met het verbeteren van de zorgkwaliteit.

We moeten hierin echter niet doorslaan en voor elk probleem de oplossing zoeken in het opstellen van nóg meer regels. Dan schiet je het doel voorbij en creëer je een opeenstapeling van richtlijnen die een verlammende uitwerking heeft op een instelling en haar medewerkers. Dit betreft niet alleen onderlinge afspraken, maar ook normen die van buitenaf worden opgelegd door bijvoorbeeld verzekeraars en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ).”

Verlangen deze partijen te veel van zorgaanbieders wat betreft registratie?

“Ze verlangen vooral allemaal wat anders. Behalve met verzekeraars en de IGZ hebben instellingen ook te maken met andere uitvragers als gemeenten en justitie. Per instelling kunnen dat ook nog eens zeven verzekeraars en dertig gemeenten tegelijk zijn, die allemaal net even andere informatie nodig hebben om toegezegde middelen uit te kunnen geven. Dat is natuurlijk hun goed recht, immers: wanneer je geld uitgeeft, wil je ook weten waaraan.

Dit gevoel van verantwoording is wel degelijk aanwezig bij zorgaanbieders, maar het meekijken van al deze verschillende partijen kan een duizelingwekkende werking hebben. Veel zorgmedewerkers hebben het gevoel uit ‘overzorgvuldigheid’ meer bezig te zijn met het registreren van hun handelingen dan met de handelingen zélf. Dienen registraties dan nog wel het belang van goede zorg of beginnen ze goede zorg dan juist in de weg te zitten?”

Wat vindt u? Zitten registraties goede zorg soms in de weg?

“Er zijn gevallen van WMO-aanbieders die tot wel 3500 pagina’s aan verantwoordingsregistratie hebben opgebouwd. Voor alle uren die zorgmedewerkers hieraan kwijt zijn geweest en voor het geld dat dit dus gekost heeft, hadden net zo goed extra verpleegkundigen ingezet kunnen worden. Registratie gaat dan ten koste van het geld dat aan zorg besteed moet worden. Het blikveld vanuit de zorg is bovendien altijd breder dan dat van financiers.

We moeten verder kijken dan het concreet aantoonbare resultaat van behandelingen. Het effect van een behandeling hangt namelijk niet alleen af van het up-to-date houden van zorgstandaarden, maar net zozeer van de sociale context waarin een patiënt functioneert. Heeft hij of zij een plek om te wonen? Een baan? Als dit niet het geval is, is het nog maar zeer de vraag of een perfect uitgevoerde behandeling het gewenste resultaat oplevert.

Dit soort zaken kan niet te lijf worden gegaan met nog meer registratie en meer vinkjes op de checklist. Daar gaat een molensteeneffect van uit dat mensen op den duur het plezier in het werk ontneemt. Met het oog op het arbeidsprobleem waar de branche mee te maken heeft, mag het risico op uitstroom dat hierdoor ontstaat, niet genegeerd worden. Ik hoor het regelmatig in de praktijk: ‘Dit is toch niet waarom ik in de zorg ben gaan werken? Anders was ik wel accountant geworden.’ Dit soort opmerkingen moeten we serieus nemen. De slang begint zich in de eigen staart te bijten.”

Hoe kan dit tij worden gekeerd?

“Administratieafdelingen zorgen weliswaar voor werkgelegenheid, maar leveren geen zorg. We moeten dus een ander gesprek met elkaar gaan voeren. Wij pleiten daarom voor een zekere standaardisering van kwaliteitsregistratie, zodat het weer kan gaan om het oorspronkelijke doel: verbetering van de zorg. Dat betekent dat er niet alleen minder van hetzelfde moet worden gevraagd, maar dat er ook anders moet worden omgegaan met de resultaten.

Stap af van het wanhopige verlangen om alles in de greep te hebben en stop dus met de reflex om alles altijd proberen op te lossen met meer regels en afspraken. Dat is een behoedzame zoektocht die je met elkaar moet aangaan. Het vergt een cultuuromslag waarin opnieuw vertrouwen moet worden gevonden in elkaar, maar ook in externe partijen. Men moet er namelijk op vertrouwen, ook zonder registratie, dat iedereen die betrokken is bij een zorgtraject zijn of haar stinkende best doet.”

Is dit een reëel toekomstbeeld wat u betreft?

“Het moet wel. Het móét anders. Iedereen moet om tafel: zorgprofessionals, bestuurders, financiers, de Nederlandse Zorgautoriteit, de IGZ. Al deze partijen moeten vanuit dezelfde behoefte, namelijk het leveren van goede zorg, meedenken over de cultuuromslag die moet worden bewerkstelligd. Niemand is gebaat bij slordige zorg.

Natuurlijk snapt iedereen dat je je niet kunt verantwoorden over zaken die je niet bijhoudt en we zullen dus ook altijd blijven registreren, maar de grenzen moeten opnieuw gedefinieerd worden. De vraag ‘wie wordt hier beter van’ moet centraal staan en ook instellingen zelf doen er goed aan bij zichzelf te rade te gaan over een zo efficiënt mogelijke inrichting van de tijd die er is voor het leveren van zorg. Gelukkig is het onderwerp kwaliteitsregistratie inmiddels zo goed geagendeerd dat we aan de discussie over standaardisering niet meer ontkomen. Ik heb daarom ook goede hoop op een constructief gesprek dat de kwaliteit van zorg op den duur ten goede zal komen.”

Dit artikel is verschenen in het magazine Mijn Gezondheidsgids – editie 2.