De beste manier om criminaliteit effectief terug te dringen en recidive te beperken, is door een interventie in te zetten die aansluit op de persoon en op het delict dat gepleegd is. Helaas worden mensen met een licht verstandelijke beperking (LVB) in het strafrecht vaak niet als zodanig herkend, waardoor ze niet op een passende manier benaderd worden. “Een passende interventie is cruciaal om te voorkomen dat mensen gefrustreerd raken, overvraagd worden en er dus niets van leren”, zegt Hendrien Kaal, lector LVB en jeugdcriminaliteit van de Hogeschool Leiden.

Herkenning van LVB

Om mensen met een licht verstandelijke beperking op de juiste manier te kunnen benaderen, moet volgens Kaal eerst worden gewerkt aan herkenning van deze groep. Wanneer heeft iemand een licht verstandelijke beperking? De officiële definitie bestaat uit een viertal aspecten. In de eerste plaats moet sprake zijn van een IQ tussen de 50 en 85. Een tweede kenmerk is beperking in adaptieve vaardigheden, ofwel iemands vaardigheid om zich staande te houden in het dagelijks leven op cognitief, sociaal en praktisch vlak. Hierbij gaat het om de omgang met zaken als geld, administratie en openbaar vervoer, maar ook om het aangaan en behouden van relaties met anderen. Daarnaast moet er sprake zijn van ontwikkelingsproblematiek; bovengenoemde kenmerken moeten zijn ontstaan voor het achttiende levensjaar. Het laatste aspect betreft de ‘pervasiviteit’ van de problemen, wat inhoudt dat iemand op vele levensterreinen belemmeringen ondervindt door zijn of haar beperking. “Deze definitie is best ingewikkeld, want het zijn vier criteria die in elkaar grijpen, maar elkaar ook kunnen versterken of tegenspreken”, aldus Xavier Moonen, bijzonder hoogleraar ‘Kennisontwikkeling over LVB bij kinderen en jongvolwassenen met gedragsproblemen’. Hierdoor kan discussie ontstaan over de vraag of iemand al dan niet binnen de definitie valt. Hij pleit er dan ook voor niet te spreken over het hebben van een licht verstandelijke beperking, maar over het functioneren op het niveau van een licht verstandelijke beperking. “Dit betekent dat je er op enig moment last van hebt. Over de vraag of dat tijdelijk of blijvend is doe je dan geen uitspraak.”

Aangepaste benadering

Uit onderzoek blijkt dat mensen met een licht verstandelijke beperking oververtegenwoordigd zijn binnen het strafrecht. De factoren die ertoe kunnen bijdragen dat zij in de criminaliteit belanden zijn echter niet anders dan voor andere mensen, aldus Kaal. Voor iedereen geldt dat er een aantal elementen zijn die tot delinquent gedrag kunnen leiden. Hierbij gaat het onder andere om de invloed van vrienden, om sociale bindingen, sociaaleconomische status en de mate van zelfcontrole. De reden dat mensen met een licht verstandelijke beperking vaker met justitie in aanraking komen, is dat zij een achterstand hebben op veel van deze factoren. “Ze hebben vaker een lage sociaaleconomische status, zijn minder goed in staat hun impulsen te onderdrukken en om slimme afwegingen te maken”, legt Kaal uit. Bovendien hebben ze meer moeite met sociale contacten, waardoor het ondersteunende netwerk zwakker is en ze bevattelijker zijn voor mensen die misbruik van hen willen maken. Hoewel er steeds meer interventies worden ontwikkeld voor deze doelgroep, kan het belang van een aangepaste benadering niet voldoende worden benadrukt, vindt Kaal. “Als je een niet-passende interventie inzet, waarbij mensen het gevoel hebben dat ze er niets van snappen, weet je dat ze er niets van opsteken. Sterker nog, je kunt ervan uitgaan dat hun zelfbeeld aangetast wordt, er weerstand optreedt en ze de volgende keer niet meer willen meewerken.” Een element waarop bijvoorbeeld nogal eens tekortgeschoten wordt, is taalgebruik. De justitiële wereld is bij uitstek een talige omgeving, terwijl de meeste mensen met een licht verstandelijke beperking op een lager taalniveau functioneren. Uit onderzoek is gebleken dat deze groep, zowel binnen justitie als de psychiatrie, vaker te maken krijgt met extra vrijheidsbeperkende regels. “Dat heeft er waarschijnlijk mee te maken dat ze de regels niet goed begrijpen en daardoor niet goed toepassen. Dat geldt ook voor therapieën en interventies; die zijn vaak veel te moeilijk en te talig, waardoor ze niet goed worden opgepakt”, geeft Moonen aan.

Draaideurproces

Voor het bieden van een passende bejegening is continuïteit van zorg van groot belang, betoogt Remmers van Veldhuizen, grondlegger van de FACT-methodiek (Flexible Assertive Community Treatment). Deze is van oorsprong bedoeld voor mensen met een ernstige psychiatrische aandoening, maar wordt inmiddels ook ingezet bij mensen met een licht verstandelijke beperking met forensische problematiek. “Wanneer je geen continuïteit organiseert, ontstaat een draaideurproces. Mensen gaan van de ene naar de andere instantie, waar ze worden gezien door hulpverleners die niet bekend zijn met hun achtergrond en niet weten welke bejegening voor hen het beste werkt.” FACT probeert de continuïteit op verschillende manieren te waarborgen. Zo bestaan behandelteams altijd uit meerdere hulpverleners die bekend zijn met de cliënt. Wanneer de eigen begeleider afwezig is, kan er dus makkelijk iemand anders inspringen. Ook is het mogelijk om begeleiding snel te intensiveren indien nodig, zodat cliënten zoveel mogelijk ambulant geholpen kunnen worden door het team. Zo wordt voorkomen dat mensen steeds opnieuw hun verhaal moeten doen bij andere hulpverleners. Daarnaast is sprake van outreachende begeleiding, waarbij hulpverleners zelf actief de cliënt benaderen, zodat continuïteit van de begeleiding wordt gewaarborgd.

Informatie delen

Een voorwaarde voor continuïteit van zorg is het uitwisselen van informatie tussen verschillende instanties. Kaal en haar collega’s onderzoeken momenteel hoe ze de verschillende ketenpartners in de justitieketen kunnen helpen als het gaat om een passende benadering van mensen met een licht verstandelijke beperking. In een aantal handreikingen hebben ze belangrijke punten uiteengezet over omgang met de doelgroep. “Hierin brengen we kennis vanuit de gehandicaptensector over naar de strafrechtketen, waar die kennis nog niet zozeer aanwezig is.” Andersom heeft de gehandicaptensector ook baat bij expertise uit de wereld van het strafrecht, want in de gehandicaptenzorg wordt vaak geworsteld met de vraag hoe om te gaan met delinquent gedrag van mensen met een licht verstandelijke beperking. Uiteindelijk hoopt Kaal dat er meer aandacht komt voor de herkenning en erkenning van deze groep. Heeft ze een laatste advies? “Het gaat erom vroegtijdig de juiste insteek te kiezen. Besteed dus voldoende aandacht aan degene die voor je staat en denk zorgvuldig na over de interventie die je biedt.”