Manuela Otto’s boezemfibrilleren kwam niet zomaar uit de lucht vallen. Ze had altijd al last van hartkloppingen. Ze hielden een minuut of twee, drie aan en zakten dan weer weg. Maar wanneer ze de huisarts bezocht, viel op dat moment niks te ontdekken. “Ze moeten je net ‘vangen’ op het juiste moment om een diagnose te kunnen stellen”, heeft ze ervaren.

De heftige impact van boezemfibrilleren

De heftige ervaring met boezemfibrilleren kwam uiteindelijk en duurde maar liefst zeventien uur. “Ik was die avond net in bad geweest en kreeg in bed een hele heftige hartritmestoornis”, herinnert Manuela zich. “Het voelde alsof ik een marathon aan het lopen was terwijl ik stil zat. Het hield maar niet op, dus mijn ouders brachten me naar de spoedeisende hulp van ons streekziekenhuis. Daar hadden ze kennelijk niet veel verstand van dit soort zaken, want ik kreeg medicatie die helemaal verkeerd uitpakte. Ik kreeg namelijk een hartstilstand. Gelukkig kwam mijn hart vanzelf weer op gang; terug in de stoornis. Toen ik op een bepaald moment opstond om familie te begroeten die op bezoek kwam, schoot mijn hart weer terug in een normaal ritme. Omdat ze in het ziekenhuis niet wisten wat ze daarna nog met me aanmoesten, kon ik de volgende dag naar huis.”

Wat zijn de risicofactoren van boezemfibrilleren?

Ook Manuela’s vader heeft last van boezemfibrilleren. Hij is onder controle bij een groot academisch ziekenhuis en schakelde zijn cardioloog in om zijn dochter te onderzoeken. Daar werd geconstateerd dat Manuela’s klachten ontstonden door dezelfde aandoening als de zijne. “Daardoor zou je denken dat het erfelijk kan zijn, maar er is nog geen onderzoek dat dit aantoont”, weet Manuela.

Meestal ontstaat boezemfibrilleren pas op hogere leeftijd. Ouderdom, maar ook een hoge bloeddruk en diabetes zijn belangrijke risicofactoren. Door Manuela’s jonge leeftijd dacht men in het ziekenhuis aanvankelijk aan iets anders, maar nader onderzoek wees toch op boezemfibrilleren.

Manuela’s ablatie

Toen Manuela achttien werd, onderging ze een ablatie. Het principe achter deze operatie is het gegeven dat littekenweefsel geen elektrische prikkels doorgeeft, dus ook niet de stroom die door het hart gaat en het hart activeert. Via een katheter spoort de cardioloog de plek in het hart op waar de storing ontstaat. Het topje van de katheter wordt verwarmd tot 60°C en daarmee wordt óf een litteken gebrand op de stoorzender zélf, óf in een cirkel om de plek heen. Ablatie via bevriezing kan ook, dan heet de behandeling cryoablatie.

“De operatie heeft goed gewerkt”, vindt ze, “hoewel nu een jaar later de klachten toch weer een beetje terug komen. Dat maakt me wel wat angstig. Maar ja, erger dan toen kan het niet worden. Je hebt kans dat ik op den duur een tweede ablatie moet ondergaan. Van alle ablaties slaagt 80 procent, maar vaak niet meteen na de eerste keer. Ik zie wel hoe het verder loopt, op dit moment is er goed mee te leven. Ik moet alleen niet meer de illusie hebben dat ik kan leven als ieder ander, want dat is op sommige momenten niet reëel.”

Wat is jouw ervaring met boezemfibrilleren?