Voor mensen met complexe psychische problematiek of een verstandelijke beperking verdwijnt een herstelgerichte visie tijdens het behandelproces nog wel eens naar de achtergrond. De behandeling is er in zulke gevallen hoofdzakelijk op gericht symptomen te bestrijden en biedt onvoldoende perspectief op de mogelijkheden die cliënten, ook met hun ziektebeeld, kunnen hebben.

Individu apart behandelen

Dit stelt Jac van der Klink, hoogleraar psychische gezondheid en duurzame inzetbaarheid aan Tilburg University. “Mensen kunnen meestal heel goed zelf vaststellen waar hun kansen liggen, maar hebben vaak even iemand nodig die hen een spiegel voorhoudt en met hen meedenkt.”

Participatie, zowel in de maatschappij in het algemeen als in het arbeidsleven, is een belangrijk onderdeel van het herstelproces van mensen met een psychische aandoening. Hoop en perspectief op een toekomst waarin ze zich nuttig kunnen maken en opnieuw kunnen uitvinden wat zij voor de samenleving kunnen betekenen, biedt hen de kans om verder te kijken dan hun ziektebeeld en uitdagingen te lijf te gaan.

Het is daarbij belangrijk om deze mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt niet als één uniforme groep te zien, maar om elk individu apart te behandelen en hun eigen kwaliteiten en wensen onder de loep te nemen.

Mensen met psychische beperking over één kam scheren?

Vaak heerst nog de opvatting dat mensen met een psychische of psychiatrische aandoening allang blij zijn dat ze een doel voor ogen hebben en kunnen participeren – op wat voor plaats dat ook is, constateert Van der Klink.

Hierdoor komen ze regelmatig op een plek terecht waar ze onder hun denkniveau presteren. “Ze moeten tevreden zijn met taken waarmee ze niet uit de voeten kunnen en die hen niet het gevoel geven een waardevolle bijdrage te kunnen leveren.”

Van der Klink stelt dat het, ook met het oog op duurzame inzetbaarheid, veel effectiever werkt om voor elk persoon individueel te bekijken waar zij waarde aan hechten in het leven. Vanuit hun specifieke situatie kan dan bestudeerd worden hoe zij optimaal in staat gesteld kunnen worden deze waarden om te zetten in hun werk. Het uitgangspunt daarbij moet de diversiteit van mensen zijn, meent hij. “Iedereen is anders.

Daarom is maatwerk zo belangrijk. Je kunt niet alle mensen met een psychische beperking over één kam scheren en exact gelijke middelen voor hen beschikbaar stellen.” Juist omdat zij allemaal anders zijn, leidt dat niet tot gelijke uitkomsten en gelijke mogelijkheden, terwijl daar juist vanuit moet worden gegaan. Een dergelijke benadering werkt heel destigmatiserend, meent hij.

Diagnose bipolaire stoornis

Daar kan Janhenk Almeloo over meepraten. De 35-jarige Zwollenaar staat lotgenoten tegenwoordig bij als ggz (geestelijke gezondheidszorg)-ervaringsdeskundige, maar zijn leven heeft er tot voor kort heel anders uitgezien. Elf jaar geleden kreeg Janhenk, die inmiddels is gediagnosticeerd met een bipolaire stoornis, zijn eerste ontwrichtende manische episode – en het was niet de mildste.

Ondanks zijn goede baan en harmonieuze thuissituatie werden blijvende dwanggedachten hem plotseling te veel. “Ik pakte de auto van mijn directrice en nam de benen. België, Frankrijk, Spanje, ik heb veel plekken gezien en een enorme hoeveelheid geld uitgegeven. Ik maakte deals met onbekenden, smeedde grootse plannen om bv’tjes (besloten vennootschap) op te zetten en om het helemaal te maken in de zakenwereld. Daar kwam niets van terecht. Mijn manie was allesverwoestend.”

Toen zijn familie in Nederland zijn bankpassen blokkeerde, sliep Janhenk nog een paar maanden op straat, in treinen en illegaal in hotels zonder te betalen. Totdat hij het na acht maanden rondzwerven welletjes vond en huiswaarts keerde. Het was het begin van een enorm zware periode waarin de euforie die de manie teweeg had gebracht, plaats moest maken voor depressies en zelfs suïcidale gedachten.

“Ik dacht de boel wel weer even op te pakken. Terug naar mijn vriendin, weer aan het werk, ik zag het wel voor me. Echter, alle sloten waren vervangen en voor ik het wist was ik opgenomen in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg. Het sprookje was klaar.”

Regie over eigen leven

Na verschillende opnamen bereikte Janhenk een dieptepunt toen hij, door een gewicht van 140 kilo en diabetes, in comateuze toestand raakte. Tien dagen later ontwaakte hij en besloot van dit dieptepunt gelijk zijn omslagpunt te maken.

“Ik realiseerde me dat ik al zoveel engeltjes op mijn schouder had gehad, dat ik wat van mijn leven moest gaan maken.” Dat begon voor Janhenk met zelfzorg die erop gericht was om hem weer de regie over zijn eigen leven terug te geven. Het huis opruimen, een rondje door het park lopen: het is een proces van maanden geweest, maar door langzaam steeds meer taken zelfstandig uit te voeren, leerde Janhenk zijn diagnose serieus te nemen.

Dankzij de herstelgerichte behandeling die hulpverleners toen intensief hebben ingezet, is hij uiteindelijk uit een diep dal opgeklommen. Zijn behandelaren stelden hem een vraag waar hij al jaren niet meer mee bezig was geweest: ‘wat wil je met je leven?’.

“Wat is het prachtig geweest dat ik op dat moment precies de juiste mensen ontmoette. Deze behandelaren zijn naast me gaan staan en zijn niet meer van mijn zijde geweken.” Alleen al het feit dat Janhenk wist dat hij er niet alleen voor stond en dat hij samen met zijn hulpverleners op zoek kon naar zijn behoeften en talenten, heeft zijn herstel enorm bevorderd, stelt hij. Niet alleen hij, maar ook de professionals hadden geloof in hem en in zijn doel om zijn jeugddroom te verwezenlijken: een baan vinden in de zorg. En zo geschiedde.

Voorbij de ziekte

Dat een juiste bejegening en individuele herstelgerichte behandeling stigmatisering, en dan met name zelfstigma, kan tegengaan, bewijst een internationaal onderzoek uit van onderzoeksnetwerk The INDIGO Network. Een enquête die door de wetenschappers van deze groep werd gehouden heeft aangetoond dat 58 procent van de Nederlandse respondenten zich negatief en/of onjuist bejegend voelt door ggz-medewerkers. Voor 47 procent van hen lag dat aan het gebrek aan acceptatie door hun behandelaren.

Ook Janhenk kreeg hiermee te maken. Tijdens zijn langdurige behandeltraject werd hij er continu op gewezen dat hij vooral niet hoefde te denken aan een betaalde baan; laat staan aan een nieuwe relatie en kinderen. “Het hoogst haalbare dat voor mij geschetst werd, was een leven met stabiliteit. Voorbij dat punt werd niet gekeken.”

Hulpverleners vlakten zijn mogelijkheden uit en besteedden weliswaar aandacht aan het bestrijden van zijn ziekte, maar het leven daarna was voor hem een groot grijs gebied. Het zelfstigma dat daardoor bij hem ontstond heeft er jarenlang voor gezorgd dat hij dacht dat hij niets meer kon en daarom ook niets meer ondernam.

“Met zelfstigma zit je muurvast. Je hebt het gevoel dat de maatschappij alleen je etiket ‘bipolaire stoornis’ ziet. Je voelt je geen volwaardig mens meer, terwijl ik nog vijftig of zestig jaar te leven had en mijn toekomst dus nog voor me had.”

Huis-tuin-keukengesprek

De ervaring van Janhenk is typerend, volgens Van der Klink. Wanneer hulpverleners alleen maar naar het medische aspect kijken, is het dweilen met de kraan open, meent hij. “Op iemand met bijvoorbeeld een paniekstoornis kun je het hele protocol loslaten, maar dan zal een patiënt dat al snel als heel medicaliserend ervaren.”

Wanneer een psycholoog echter in eerste instantie in gesprek zou gaan met deze patiënt en een lijstje waarden en wensen opstelt om te ontdekken waar de paniek werkelijk vandaan komt, kan dat al verrassende aanknopingspunten bieden om het hersteltraject efficiënt vorm te geven. “Soms kan alleen een goed gesprek en reflectie de paniekaanvallen al bijna helemaal doen verdwijnen.”

Persoonlijke drijfveren zullen economische belangen vaak overstijgen, vervolgt Van der Klink. Zo’n waardenlijst is vaak te verenigen met de concrete redenen dat iemand op zoek gaat naar werk, stelt hij. De kinderen moeten naar een goede school kunnen, er moet altijd gezondheidszorg beschikbaar zijn en mensen willen zich nu eenmaal van waarde voelen in de maatschappij.

Dat gold net zo goed voor Janhenk, die uit een – zoals hij noemt – tijd van stilstand vol eenzaamheid en hopeloosheid probeerde op te krabbelen. “Ik ben meer dan alleen patiënt. Ik was een partner en collega en ben nog steeds een broer. Het terugvinden van die rollen heeft veel meer invloed op mijn herstel gehad dan welke symptoombestrijding en medicatie dan ook.” Hij heeft daarbij weliswaar intensieve ondersteuning gehad van zijn behandelaren, maar uiteindelijk moet een patiënt zelf de stappen vooruit maken.

Blik op de toekomst

Niemand anders gaat dat voor hem of haar doen, benadrukt hij. Een patiënt moet een pad voor zichzelf uitstippelen en uiteindelijk zelf naar het einddoel toe werken. “Voor mij was het doorslaggevend dat mijn behandelaren in de zorginstelling tegen me zeiden: ‘je hoeft hier niet voor altijd te blijven, dit is niet het eindstation’.” Het motiveerde Janhenk om niet op te geven en aan zichzelf te blijven werken.

Hij startte een opleiding tot ggz-ervaringsdeskundige en rondde die cum laude af. Vanuit een vrijwilligersbaan is hij doorgestroomd naar een betaalde baan als ervaringsdeskundige, nota bene bij de instelling waar hij zelf opgenomen is geweest. “Eindelijk kijken mensen weer naar de persoon achter het ziektebeeld. De hoop op een betere toekomst, waar ik altijd zo naar verlangde, is nu daar, en dat gaat zal niet snel meer verdwijnen.”