Onderzoek toont aan dat stigmatisering van mensen met een psychische aandoening een barrière vormt voor hun arbeidsparticipatie. Hoe urgent dit probleem is, blijkt uit de cijfers: veertig procent van de Nederlandse bevolking heeft een psychische aandoening of heeft die ooit gehad.

3 redenen waarom stigma’s kansen op de arbeidsmarkt belemmeren

Er zijn drie redenen waarom het stigma op psychische aandoeningen de kansen op de arbeidsmarkt kan belemmeren, vertelt Evelien Brouwers, senior onderzoeker bij Tranzo, Tilburg University. “De eerste reden is dat werknemers niet over hun psychische gezondheidsproblemen durven te praten, omdat ze bang zijn nadelig behandeld te worden en hun carrière te schaden.”

Dat is jammer, vindt Brouwers, want studies tonen aan dat deze groep behoefte heeft aan tijdelijke aanpassingen om het werk vol te kunnen houden. Toch is de angst van werknemers niet geheel onterecht, want stigmatisering door werkgevers komt inderdaad voor en vormt daarmee de tweede belemmering voor arbeidsparticipatie.

Uit onderzoek is gebleken dat werkgevers en leidinggevenden negatiever denken over werknemers met psychische problemen in vergelijking met werknemers met lichamelijke aandoeningen en met gezonde werknemers.

Negatieve stereoptyperingen

Het beeld bestaat dat deze mensen een grote kans hebben op terugval, dat ze een gevaar vormen voor de veiligheid van anderen en dat ze zich onbetrouwbaar kunnen gedragen. De derde reden waarom stigma een belemmering vormt voor arbeidsparticipatie is zelfstigma.

Hierbij passen mensen met psychische problemen de negatieve stereotyperingen die in de samenleving heersen op zichzelf toe. In combinatie met een laag zelfbeeld krijgen ze het gevoel dat ze niks kunnen en dus ook beter niet kunnen proberen te solliciteren of een opleiding te volgen. Dit staat bekend als het why try-effect.

Hoe onterecht deze stigma’s zijn, blijkt wel uit het feit dat een psychische aandoeningen iedereen kan komen. “Iedereen is psychosegevoelig, net zoals iedereen depressie- of verslavingsgevoelig is. De een is het alleen meer dan de ander”, legt hoogleraar psychiatrie Jim van Os uit.

Stigmatisering begint bij incorrecte kennis

Hij vergelijkt het met de menselijke bloeddruk: iedereen heeft een bloeddruk, en bij veel mensen is die gemiddeld. Bij sommigen bevindt hij zich echter in een grijs gebied, en bij weer anderen is hij hoog.

Zo is het bij psychische aandoeningen ook. Van Os pleit dan ook voor meer voorlichting over psychische aandoeningen, bijvoorbeeld door bekende personen naar buiten te laten treden met hun verhaal, zoals komiek Stephen Fry in Groot-Brittannië deed.

Dergelijke verhalen helpen volgens hem enorm om het acceptatieproces op gang te brengen. Brouwers sluit zich daarbij aan: “Stigmatisering begint bij incorrecte kennis of een gebrek aan kennis. Met voorlichting kan kloppende informatie aan het grote publiek worden meegegeven.”

Impact stigmatisering

Beide experts zien hierin een grote rol weggelegd voor de media, die veel invloed hebben op de algemeen heersende opvattingen. Waar de media nu vooral focussen op negatieve incidenten en stereotyperingen als die van de gestoorde gek in stand houden, zouden ze psychische problemen door het brengen van positieve verhalen bespreekbaarder kunnen maken.

Daarnaast zouden Brouwers en Van Os ook graag zien dat zorgprofessionals beter worden geschoold als het gaat om psychische aandoeningen, zodat de – vaak onbewuste – stigmatisering richting patiënten voorkomen wordt.

Verder denkt Brouwers dat ook scholing voor werkgevers erg zinvol kan zijn. Ze benadrukt nog maar eens hoe enorm de impact van stigmatisering is op een samenleving.

Niet alleen kan het tot mindere kwaliteit van leven en sociale uitsluiting leiden, maar door de angst om anders behandeld te worden durven veel mensen geen hulp te zoeken en lopen ze goede behandeling mis. “Stigmatisering is een heel groot publiek gezondheidsprobleem.

Deel dit artikel via:

Facebooktwittergoogle_pluslinkedin