Met de recente wijzigingen in de organisatie van de GGZ krijgt de POH meer de regie.

Veranderingen in de GGZ per 1 januari 2014 hebben verstrekkende gevolgen. Zeker ook voor de POH-GGZ (praktijkondersteuner huisarts). De functie POH-GGZ bestaat sinds 1 januari 2008, toen voor vijf jaar een experiment werd ingezet. Op 1 januari 2013 werd de proef met nog eens een jaar verlengd, in afwachting van de beleidskaders die op 1 januari 2014 realiteit zijn geworden. Met de komst van de Basis-GGZ is het hele GGZ-landschap sterk aan verandering onderhevig.

Volwassener

“Vanaf het begin van 2012 zijn we al met deze verandering bezig”, vertelt Rudolf Keijzer. Hij is algemeen manager van PRO Praktijksteun. “De functie POH-GGZ is sindsdien zeker volwassener geworden en de behoefte van huisartsen om een POH-GGZ in de praktijk te hebben is sterk toegenomen. Eind vorig jaar werkte 40 tot 50 procent van alle huisartsen met een POH-GGZ, ik verwacht dit jaar een groei tot 70 à 80 procent. Niet omdat een huisarts per se vindt dat hij veel meer met GGZ moet gaan doen, maar simpelweg omdat de zorg voor mensen met GGZ-problematiek meer naar de eerste lijn geschoven wordt. De huisarts wil graag dat de patiëntenpopulatie op een goede manier en op de juiste plek geholpen wordt.”

Veranderende rol

Werkinhoudelijk is de rol van de POH-GGZ nog niet echt veranderd, maar Rudolf Keijzer verwacht dat dat wel gaat gebeuren. “Het organiseren van de Basis GGZ gaat gelukkig niet over één nacht ijs”, stelt hij. Voor dit jaar is op verschillende plekken gekozen om niet direct heel veel patiënten vanuit de tweede lijn naar de eerste lijn te schuiven, maar is de keuze gemaakt om met verschillende betrokkenen voor een goede opvang te zorgen. Er is een periode van 3 jaar om dat significant af te bouwen. Er komen veranderingen voor de POH-GGZ, maar meer geleidelijk. “Als onderdeel van de huisartsenpraktijk zal steeds meer naar de POH-GGZ worden gekeken als startpunt voor een goede organisatie van de GGZ, uiteraard samen met de huisarts.” Dat betekent ook dat de POH-GGZ goed op de hoogte moet zijn van de sociale kaart en doorverwijzingsmogelijkheden. “Dat is tegelijkertijd een kans. De bestaande lijnen worden wat strakker en je kunt beter kwaliteitsafspraken maken, een service level agreement afsluiten.”

Onduidelijkheid

Toch ziet Rudolf Keijzer ook beren op de weg. Er is veel onduidelijkheid, onder meer bij GGZ-instellingen die al dan niet hun preventieprogramma’s kwijtraken. Of eerstelijns psychologen die andersoortige onderhandelingen moeten voeren met zorgverzekeraars en een soort productmix moeten aanbieden waarbinnen op voorhand een inschatting moet worden gemaakt van de soort en zwaarte van zorg. “De ambitie is om de kwaliteit van zorg goed te organiseren, en om niemand tussen wal en schip te laten vallen. Maar zover is het nog niet. Komt nog bij dat een groter deel van de zorg-gelden naar de gemeenten toegaat. Al met al gaat dat er toe leiden dat partijen met elkaar te maken krijgen die dat niet van oudsher gewend zijn. Het is te makkelijk om dat onder de kinderziektes te scharen, al moet het anderzijds wel de tijd hebben om te kunnen uitkristalliseren. Maar er zijn weinig voorbeelden om op terug te vallen.”

Cursussen

Het spreek voor zich dat niet alle POH’s even gemakkelijk met de veranderingen kunnen omgaan. Doorverwijzen is iets lastiger geworden, dus de problematiek van patiënten die bij huisarts en POH-GGZ terechtkomt, is zwaarder dan voorheen; patiëntenstromen waar je in de praktijk goed voorbereid op moet zijn. In grote praktijken werken soms POH’s met verschillende ervaring samen om de juiste ondersteuning te kunnen bieden. Ook worden allerlei cursussen gegeven aan POH’s, bijvoorbeeld om goede afspraken met de sociale partners te kunnen maken en de betekenis van die afspraken te kunnen wegen.