Van snijwond, bijtwond en brandwond tot bevriezingswond, doorligwond en open beenwond: op allerlei manieren kan schade ontstaan aan de huid. Voor al deze wonden is een andere behandeling nodig, afgestemd op de situatie en de patiënt. “One size fits nobody in wondzorg”, zegt René Baljon, voorzitter van WCS Kenniscentrum Wondzorg.

Achterliggende oorzaak van de wond

Baljon omschrijft een wond als een verbreking van de natuurlijke structuur van levend weefsel. Hoe een wond moet worden behandeld, verschilt volgens hem per geval. “Een wond kan vanuit een heel grote diversiteit ontstaan zijn, en vanuit die enorme diversiteit moet je zorgen dat je heel gericht gaat behandelen.”

Behalve als er sprake is van een grote of acute wond die direct behandeling nodig heeft op de spoedeisende hulp, komt een patiënt aanvankelijk terecht bij de huisarts. Die zal allereerst de oorzaak van de wond proberen te achterhalen door vast te stellen of het een acute of een complexe wond is, of bijvoorbeeld door vaat- of bloedonderzoek, of door te kijken naar de voedingstoestand. Vervolgens kan hij de patiënt indien nodig verwijzen naar een ziekenhuis. Bij een redelijk eenvoudige wond hoeft dat niet en kan de huisarts er, eventueel in samenwerking met mantelzorg of thuiszorg, op toezien dat de wond weer dichtgaat.

Voor alle wonden geldt dus dat eerst de achterliggende oorzaak dient te worden achterhaald, maar het daaropvolgende behandeltraject verschilt per soort wond. Een behandeling kan gericht zijn op het sluiten van een wond, maar ook op het bieden van verlichting aan een patiënt wanneer er sprake is van een wond die heel lang niet of nooit dichtgaat, zoals een oncologische wond. Baljon: “Heel belangrijk is dat er voor al die individuele problemen van patiënten een systeem is waarin optimale zorg geleverd wordt.” Een goede samenwerking tussen partijen die deel uitmaken van de wondzorgketen helpt daarbij.

Een multidisciplinaire aanpak

De wondzorg heeft de afgelopen jaren grote ontwikkelingen doorgemaakt. Nog niet zo lang geleden kwamen patiënten, die door de huisarts werden verwezen, in het ziekenhuis vaak terecht bij een specialist, zoals een dermatoloog, chirurg of internist. Deze monodisciplinaire manier van werken veranderde met de komst van wondexpertisecentra. “Elke wond heeft zijn eigen oorsprong en er kunnen allerlei redenen zijn voor het ontstaan ervan. Vanuit dat inzicht moet je een wond dus multidisciplinair benaderen in plaats van monodisciplinair”, licht Baljon toe.

Precies dat is naar zijn mening het grote voordeel van een wondexpertisecentrum: de artsen, verpleegkundigen en paramedici daar kijken multidisciplinair naar de patiënt. Zo kan het zijn dat er voor de behandeling van een wond een chirurg of huidtherapeut nodig is, of bijvoorbeeld een diëtist in het geval van een voedingsprobleem.

Het zou goed zijn als deze wondexpertisecentra een regionale functie gaan vervullen op het gebied van de wondzorg, vindt Baljon. Vroeger lagen patiënten met een wond vaak lang in het ziekenhuis en werden ze ter plekke behandeld, maar tegenwoordig worden ze snel ontslagen en vindt de wondzorg in de thuissituatie plaats. Van daaruit kunnen volgens Baljon de thuiszorg, de huisarts en het multidisciplinaire team van een wondexpertisecentrum heel goed contact met elkaar onderhouden inzake een wond die complex is.

Omdat de keten rondom wondzorg lokaal is ingericht en daardoor per regio verschilt, vindt hij het lastig een algemene uitspraak te doen over de huidige kwaliteit van samenwerking in Nederland. “Ik denk dat er in het land mooie voorbeelden zijn van ketenzorg die heel goed op elkaar is afgestemd, maar ik denk ook dat er regio’s zijn waar het nog een stuk beter kan.”

Wondzorg verder verbeteren

Dat het aantal wondexpertisecentra toeneemt, ziet Baljon als een zeer belangrijke ontwikkeling, die het mogelijk maakt om wondzorg van hoge kwaliteit te kunnen verlenen. Een ander positief punt is dat begin mei het jaarlijkse congres van de European Wound Management Association (EWMA) in Amsterdam werd gehouden.

Op het congres werd veel aan kennisuitwisseling gedaan en werden allerlei voordrachten gehouden over uiteenlopende gebieden binnen de wondzorg. Toch is Baljon van mening dat er nog veel stappen kunnen worden gemaakt, want het kan altijd beter. “Ik denk dat je in de zorg in zijn algemeenheid altijd moet streven naar verbetering.” Te vaak ziet hij nu nog mensen die langdurig met de effecten van een wond rondlopen, of die last hebben van littekens.

Hoe zou dat verbeteren volgens hem vorm moeten krijgen? Hij somt een aantal suggesties op: de ontwikkeling van extra wondexpertisecentra, scholing van professionals, nog betere samenwerking in de keten, het opstellen van goede regionale richtlijnen voor wondzorg en het uitwisselen van kennis. Dit zijn stuk voor stuk zaken die momenteel al plaatsvinden, maar die op nog grotere schaal zouden kunnen worden toegepast.

De wondzorg in Nederland is sterk verbeterd, maar er zijn zeker nog zaken die beter kunnen, vindt ook Ton Lassing, oprichter van de Nederlandse Organisatie Voor Wondprofessionals (NOVW). Zo pleit hij er al jaren voor dat wondgenezingsverkorting meer centraal moet komen te staan. Patiënten zouden niet te lang bij de huisarts moeten blijven lopen, maar zouden zo snel mogelijk moeten worden doorgestuurd naar een wondexpertisecentrum.

Het streven naar een zo kort mogelijke genezingstijd voor een wond klinkt misschien als een logisch doel, maar volgens Lassing stond dit lange tijd niet hoog op de agenda. In de loop der jaren heeft hij de situatie langzaam zien verbeteren en inmiddels staat wondgenezingsverkorting beter op de kaart dan vijf jaar geleden. Dit is naar zijn zeggen voor een groot deel te danken aan de komst van de wondexpertisecentra, die gespecialiseerd zijn in het snelle wondgenezingsproces.

Ondanks zijn pleidooi voor wondgenezingsverkorting kijkt Lassing met een optimistische blik naar de wondzorg, want er gebeuren veel goede dingen. Zo prijst hij de toegenomen deskundigheid in de wondzorg. “Die deskundigheid is ontzettend belangrijk voor de kwaliteit van de zorg. In de laatste tien jaar heeft daar een grote verandering in plaatsgevonden.” Als voorbeeld noemt hij net als Baljon de verbeteringen die er zijn opgetreden als gevolg van de komst van de wondexpertisecentra, maar hij wijst ook op de toename van gespecialiseerde opleidingen tot wondexpert, -consulent en -verpleegkundige.

Een passie voor wondzorg

De toegenomen aandacht voor wondzorg en de verbeterde organisatie ervan hebben er volgens Lassing toe geleid dat ook de overheid meer aandacht voor het onderwerp heeft gekregen. Als gevolg hiervan hebben verschillende overheidsinstanties zich in de afgelopen vijf jaar over de wondzorg gebogen en zijn er meerdere rapporten uitgebracht waarin mogelijke veranderingen en verbeteringen werden verkend. Lassing is positief over de toegenomen aandacht vanuit de overheid, maar vraagt zich tegelijkertijd af of te veel bemoeienis wenselijk is.

Hij ziet het als de taak van de overheid om zaken als kostenbesparing binnen de wondzorg te regelen en om aan te geven wat er nog beter kan, maar vindt dat al het overige moet worden overgelaten aan de wondbehandelaars zelf. Dat zijn immers de experts. “Het is goed dat de overheid kritisch is en zich uitspreekt over wondzorg. Op een gegeven moment wordt haar inmenging echter groter en dat zou naar mijn mening niet moeten.” Dat ingrijpende overheidsbemoeienis in de wondzorg niet noodzakelijk is, blijkt wel uit het feit dat de veranderingen die de laatste jaren hebben plaatsgevonden meer vanuit de markt zijn gekomen dan vanuit de overheid. Zo zijn de wondexpertisecentra allemaal ontstaan door initiatieven vanuit de markt, vertelt Lassing.

Hij prijst de mensen die achter dit soort initiatieven zitten en die er met hun inzet samen voor hebben gezorgd dat de wondzorgmarkt op het huidige kwaliteitsniveau zit. Het zijn mensen met een passie voor wondzorg, zegt hij, die alles in het werk stellen om de wonden van patiënten zo snel mogelijk te sluiten. Het gaat bij wondzorg echt om de patiënt, en daarom is wondzorg volgens hem per definitie een vorm van gepersonaliseerde zorg.

Elke wond kan worden gezien als een op zichzelf staand verhaal die een aparte behandeling verdient, omdat steeds opnieuw moet worden gekeken naar diagnostiek, behandeling, monitoring en zaken als leefstijl. Lassing: “Dat kan ook niet anders, omdat elke patiënt anders is. Je kunt geen goede wondzorg leveren als je geen gepersonaliseerde zorg levert.”