De zorg van de toekomst draait om meer dan technologie. Hoewel innovaties op het gebied van techniek veel kunnen betekenen voor betere en efficiëntere zorg, zal de basis niet veranderen. Uiteindelijk gaat zorg over mensen. Mensen die zorg nodig hebben, en mensen die zorg bieden. Om dat in goede banen te leiden, rekent men op het zorgstelsel, bestaande uit verschillende wetten en uitvoerende partijen. Voor mensen met een zorgvraag aan huis schiet het huidige stelsel echter tekort, omdat het meer loont iemands zorgvraag af te schuiven op een andere partij dan te focussen op preventie.

Kosten en baten

“Het zorgsysteem is opgeknipt”, vat Hans Buijing samen. Hij is bestuurder bij branchevereniging Branchebelang Thuiszorg Nederland (BTN) en kritisch over de manier waarop het huidige systeem omgaat met mensen met een lichte zorgvraag. Wanneer er zich bij een zelfstandig thuiswonend persoon door ouderdom enkele gebreken ontwikkelen, zou iemand in die eerste fase ondersteund moeten worden om een zwaardere zorgvraag te voorkomen. Dat gebeurt onvoldoende, meent Buijing, iets wat volgens hem voortkomt uit de manier waarop het stelsel is opgezet.

Vier stelselwetten leveren de basis: de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Jeugdwet. Voor het uitvoeren van deze wetten is steeds een andere partij verantwoordelijk en komt de financiering uit verschillende potjes. Zo worden thuiszorg en dagbesteding via gemeenten en zorgverzekeraars geregeld, terwijl een langdurige ziekenhuisopname of verpleging voor de rekening van het Rijk komen. Deze financiële onderverdeling zorgt er volgens Buijing voor dat geen enkele partij gestimuleerd wordt om te investeren in de preventieve zorg. Wanneer gemeenten bijvoorbeeld meer geld uitgeven aan thuiszorg en daarmee een ziekenhuisopname voorkomen, bespaart dat geld voor zorgverzekeraars of het Rijk. In feite vallen de baten op een andere plek dan waar de kosten gemaakt worden. Echter, ook als er wel winst te behalen valt, zijn partijen nog huiverig te investeren buiten ‘hun’ deel van het stelsel, denkt Buijing. “Zorgverzekeraars laten de eerste zorg zoveel mogelijk aan de gemeente over – ook als ze er zwaardere zorg mee kunnen voorkomen – omdat dat niet hun verantwoordelijkheid is. Bovendien bestaat de kans dat de mensen waarin ze investeren overstappen naar een andere verzekeraar.”

Toenemende behoefte aan zorg thuis

Degenen die hier de dupe van zijn, zijn mensen met een zorgvraag en hun naasten. Vooral die laatste groep wordt nogal eens vergeten door beleidsmakers, denkt Heleen Mensinga-van Leeuwen. Zij is mantelzorger voor haar man die ADCA heeft, een progressieve erfelijke ziekte die de kleine hersenen aantast. Wat begon met het voorlezen van de ondertiteling in verband met afnemend gezichtsvermogen, mondde uit in 24-uurszorg. “Ik moest er altijd zijn. Hij verdwaalde zelfs in onze eigen kamer”, vertelt ze. Hoewel ze hem in het begin als vanzelfsprekend hielp als partner, ging haar rol langzaam over in die van verzorgende. Dat werd haar drie jaar geleden geestelijk te veel. “Toen heb ik de thuiszorg gebeld om te vertellen dat ik hulp nodig had. Ik kon het niet meer alleen.”

De behoefte aan zorg aan huis zal blijven toenemen naarmate de vergrijzing doorzet, terwijl het aantal beschikbare plekken in verpleeghuizen gelijk blijft. Veel mensen willen graag zo lang mogelijk thuis wonen, maar de manier waarop het huidige beleid daarop inhaakt laat te wensen over, menen Buijing en Heleen. Het systeem rekent erop dat een groot deel van de lichte zorgvraag wordt opgevangen door mantelzorgers. Dat kan, omdat er heel veel mensen zijn die net zoals Heleen bereid zijn mantelzorg te bieden. “Wanneer dat echter niet meer gaat, kunnen ze niet denken dat je dan ook maar van alle buren gebruik kunt maken”, stelt ze. Buijing sluit zich daarbij aan. Hij vindt dat gemeenten hun verantwoordelijkheid moeten nemen bij de eerste ondersteuning van mensen met een kwetsbaarheid. Wanneer onvoldoende zorg op maat geboden wordt, gaan mensen zo zwaar op een mantelzorger leunen dat die sociaal-emotioneel uitgeput raakt en zelf een zorgvraag ontwikkelt.

Ondersteuning

Toen het Heleen te veel werd, kon ze ondersteuning regelen vanuit de thuiszorg. Twee keer per week kwam er iemand om haar man te helpen wassen – iets wat hij niet nodig vond omdat zijn vrouw het zogezegd veel beter kon. Voor Heleen leverde het echter veel op. Het ontlastte haar in haar zorgtaken en ze kon die twee keer per week ook goede gesprekken voeren met de mensen van de thuiszorg. “Ik gaf hun advies, maar zij mij ook. En toen mijn man ’s nachts niet meer naar het toilet mocht lopen, stelde de thuiszorg voor een postoel naast het bed te zetten. Van mij zou hij dat niet geaccepteerd hebben, maar van de thuiszorger wel.”

Over de thuiszorg is Heleen zeer te spreken. Haar ervaringen met het aanvragen van Wlz-zorg voor haar man zijn minder positief. In verband met een operatie aan haar knie zocht ze voor hem opvang voor een aantal weken, zodat zij zelf tijd zou hebben om te herstellen. Na haar aanvraag belde iemand van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) op om deze te bespreken, en kreeg haar man aan de telefoon. “Die zei dat hij alles kon, terwijl dat niet zo was”, vertelt Heleen. Het CIZ concludeerde dat haar man best thuis kon blijven met drie keer per dag bezoek van de thuiszorg. Van de huisarts kreeg ze ook geen bijval, die gaf aan dat hij Wlz-zorg niet mocht regelen. “Hij zei dat mijn man had moeten aangeven dat hij niet zoveel kon. Ze luisterden wel naar hem en niet naar mij.” Op de dag dat Heleen zelf naar het ziekenhuis moest, was het nog steeds niet zeker dat haar man naar een logeeradres kon. Ook nu nog maakt ze zich zorgen over de situatie van haar man. Sinds een jaar zit hij in een verpleeghuis in verband met zijn toenemende behoefte aan lichamelijke zorg. Er bestaat echter een kans dat zijn afdeling gesloten wordt in verband met bezuinigingen. Dit veroorzaakt veel zorgen, omdat hem weer in huis halen geen optie is. Volgens Heleen staan veel somatische patiënten en hun naasten voor eenzelfde uitdaging. “Er wordt gezegd dat we het met thuiszorg wel redden. Dat is absoluut niet zo.”

Financiering naar de achtergrond

Om de groeiende groep mensen met een zorgvraag aan huis en hun naasten de best mogelijke ondersteuning te bieden, is betere samenwerking nodig binnen het stelsel. Daarbij is het van belang om samen met de mantelzorger te blijven evalueren of zelfstandig wonen met zorg aan huis nog steeds haalbaar is. Buijing: “Binnen het systeem zijn muren gebouwd. Die moeten gesloopt worden of men moet eromheen werken, zodat de patiënt niets merkt van de financiële onderverdeling.” Bovendien zou hij graag zien dat alle partijen het belang beseffen van investeren aan de voorkant van de keten. Door de krachten te bundelen bij het beantwoorden van de eerste zorgvraag zijn zwaardere zorg en de daarbij behorende kosten te voorkomen.