Een groot deel van de Nederlanders kampt met de gevolgen van een ongezond eetpatroon. Zo eten nog te weinig mensen volgens de Schijf van Vijf. Vooral de inname van fruit en groente schiet tekort, en er wordt te veel suiker, zout en vet geconsumeerd. Het is niet altijd even makkelijk een gezonde keuze te maken. Denk hierbij aan factoren als aanbod, budget en gemak. Daarom is het van belang om gezonde voeding extra te stimuleren.

Ongeveer 50 procent van de Nederlanders heeft overgewicht. Hiervan is sprake als de BMI (body mass index) boven de 25 ligt. Wanneer de BMI de 30 overstijgt, spreekt men van obesitas. Dit is het geval bij ongeveer 14 procent van de Nederlandse bevolking. Het Voedingscentrum legt uit dat overgewicht en obesitas ontstaan wanneer iemand langdurig meer energie binnenkrijgt dan dat hij of zij nodig heeft. “Alles draait om de balans tussen de hoeveelheid calorieën die je eet en de hoeveelheid energie die je lichaam verbruikt.” Het soort en de hoeveelheid voeding die iemand binnenkrijgt, spelen dus een belangrijke rol in het ontstaan, maar ook het voorkomen van overgewicht.

Verstoorde energiebalans

Mensen die kampen met overgewicht of obesitas hebben een verstoorde energiebalans; bij hen is de inname van calorieën hoger dan de energie die zij verbruiken. Volgens Jaap Seidell, hoogleraar Voeding en gezondheid aan de VU en directeur van wetenschappelijk onderzoeksinstituut Sarphati Amsterdam, komt dit doordat de mens tegenwoordig leeft in een samenleving waar hij niet op gebouwd is. “We hebben honderdduizenden jaren in schaarste geleefd, waarin we hard moesten werken voor ons eten. De laatste tientallen jaren is dit echter veranderd. Nu is eten, over het algemeen, altijd voorradig en hoeft men er weinig voor te bewegen.” Omdat voedsel dat als lekker aangemerkt wordt – met veel suiker, zout en vet – veelal ook nog eens op veel plaatsen goedkoop te verkrijgen is, wordt hier vaak voor gekozen. Zo neemt de energieconsumptie toe, terwijl het verbruik niet evenredig mee stijgt.

Overgewicht en obesitas komen niet zonder risico’s. Seidell legt uit dat wanneer er te veel en te ongezond gegeten wordt, het lichaam extra hard moet werken om de hoeveelheid koolhydraten goed te verwerken. Hierdoor is het systeem constant overbelast en kan het lichaam bloedsuiker minder goed reguleren, met mogelijk diabetes type 2 tot gevolg. Daarnaast kan vervetting van het lichaam ervoor zorgen dat vaten dichtslibben met cholesterol. Verder moet het hart harder werken om bloed rond te pompen indien het lichaam omvangrijker is, waardoor een hoge bloeddruk ontstaat.

Nurture versus nature

Seidell vertelt dat voedingsvoorkeuren al heel vroeg in het leven ontstaan. “Wanneer een kind geboren wordt, gaat het vanzelf op zoek naar moedermelk. Het doet dit instinctief. Daarna is het kind afhankelijk van het eten dat het krijgt.” Een deel van de voorkeuren zijn biologisch geprogrammeerd, zoals de aangeboren voorkeur voor vet en zoet, beide eigenschappen van energierijk voedsel dat nodig is om te kunnen groeien. Verder draaien voorkeuren om een leerproces, waarbij men voedingsmiddelen leert herkennen en bepaalde smaken waarderen. Dit leerproces hangt af van het gezin, de buurt en het land waarin iemand opgroeit. Matthijs van den Berg, hoofd van het RIVM Centrum Voeding, Preventie en Zorg, beaamt dit en stelt dat ouders grotendeels voor een kind bepalen wat het eet,
waardoor veel eetgewoonten en voorkeuren gevormd worden. Daarnaast hangt het af van de bredere voedingsomgeving. Hierbij kan gedacht worden aan het aanbod in de supermarkt en eetgelegenheden, het
eten en drinken dat kinderen op school krijgen en de indeling van bedrijfskantines.

“Naast gewenning en aanbod spelen ook andere dingen een rol in de keuze voor het type voeding dat iemand aanschaft, zoals gemak, prijs, houdbaarheid en hoe aantrekkelijk iets eruitziet”, legt Van den Berg uit. Zo zijn groente en fruit bijvoorbeeld relatief duur, minder lang houdbaar en moet er vaak nog iets mee gedaan worden voor het opgegeten kan worden. Uit onderzoek blijkt dat ook de sociaaleconomische achtergrond van invloed is op het voedingspatroon. Seidell legt uit dat hoe lager iemands inkomen, hoe groter de kans is dat hij of zij meerdere banen nodig heeft om rond te komen. Dit heeft als gevolg dat niet alleen geld, maar ook tijd – en dus gemak – een grote rol gaan spelen. Ongezond eten is nu eenmaal vaak goedkoper én makkelijker. Daarnaast smaakt dit eten erg goed. In wijken waar veel mensen wonen uit lagere sociaaleconomische groepen wordt dan ook ingespeeld op deze factoren door discounters en fastfoodrestaurants. Seidell: “Hierdoor stimuleert de omgeving deze mensen om een ongezonde keuze maken. Het is erg moeilijk om een gezonde keuze te maken als je weinig tijd, geld en vaardigheden hebt.”

De Schijf van Vijf

Maar wat is dan precies een gezonde keuze? Over het algemeen kan een gezond voedingsadvies uit allerlei voedingspatronen bestaan, en hangt het ook af van waar iemand woont. Seidell geeft aan dat een gezond dieet bestaat uit producten die lokaal voorhanden zijn, omdat het lichaam op dat type voedsel is ingesteld. In Nederland hebben we het dan over een dieet van vlees, vis, fruit en groente; producten die van oudsher voorkomen in Nederland. Uiteraard bestaan er veel variaties op wat gezond eten is, maar over het algemeen gaat het hierbij om voedsel dat niet te veel bewerkt is, voldoende vezels heeft en niet te veel zout en suiker bevat. “We weten bijvoorbeeld dat het mediterrane dieet een positief effect op het lichaam heeft. Hierin wordt veel gewerkt met olijfolie, vis en vlees, noten, groente en fruit.”

Van den Berg vult aan dat de Schijf van Vijf van het Voedingscentrum een goede richtlijn is om aan te houden. Deze schijf is opgesteld op basis van voedingsadviezen van de Gezondheidsraad, en bestaat uit groente en fruit; smeer- en bereidingsvetten; vis, peulvruchten, vlees, ei, noten en zuivel; brood, graanproducten en aardappelen; en dranken. “Uiteraard bestaat er de ruimte voor variatie, maar deze schijf is een goede basis om aan te houden. De richtlijnen zijn namelijk gezond voor iedereen.” Over de linie komt het wat hem betreft op het volgende neer: eet meer plantaardige en minder dierlijke voeding. Wanneer mensen dit aanhouden, gaan ze vanzelf meer groente en fruit, volkoren producten, peulen en noten eten.

Een gezonder eetpatroon

Er zijn twee paden die bewandeld moeten worden om te komen tot een gezonder voedingspatroon. Allereerst zullen consumenten zelf hun gedrag moeten aanpassen. Seidell vertelt dat een dergelijke omslag begint bij het weerstaan van gemaksvoedsel. Mensen eten veelal ongezond omdat ze weinig tijd, geld en/of vaardigheden hebben. Hier wordt door veel fabrikanten en retailers op ingespeeld. “Het is als consument belangrijk dat je bewust bent van het feit dat je voortdurend verleid wordt om lekker, makkelijk en ongezond eten te kopen”, aldus Seidell. Volgens hem betekent een gezonde maaltijd zeker niet dat mensen hun eigen eten moeten verbouwen, maar wel dat zo veel mogelijk gekozen moet worden voor verse ingrediënten.

Omdat de keuze voor gezonde voeding niet voor iedereen even eenvoudig is, met name voor mensen die zich in een lagere sociaaleconomische positie bevinden, zullen ook de overheid, fabrikanten en retailers hier een rol in moeten spelen. Zij moeten ervoor zorgen dat het voor iedereen makkelijker wordt om een gezonde keuze te maken. Van den Berg ziet hierin een belangrijke taak voor de fabrikanten van levensmiddelen door middel van productverbetering, waarbij men streeft naar een zout-, suiker- en verzadigd vetreductie. Met het Akkoord Verbetering Productsamenstelling zet
de voedingsbranche zich hier momenteel, samen met overheid, voor in. Seidell vult aan dat het belangrijk is om in alle buurten bij te dragen aan een gezond voedselaanbod, zodat iedereen in winkels, scholen en openbare eetgelegenheden een gezonde keuze kan maken.

Uitdagingen voor de toekomst

Ondanks dat er al veel goede initiatieven in Nederland bestaan op het gebied van het stimuleren van gezonde voeding, valt er nog veel winst te behalen. Ongeveer 90 procent van de Nederlanders houdt zich niet aan de Schijf van Vijf, en slechts 5 procent van de kinderen eet voldoende groente en 1 procent voldoende fruit. Het probleem is dat het makkelijker is om ongezond te eten dan voor de gezonde keuze te gaan. Van den Berg: “We leven in een obesogene maatschappij, waarin het weinig moeite kost om veel energie tot je te nemen en weinig energie te verbruiken.” Van den Berg benadrukt dat het daarom erg belangrijk is om te kijken hoe de hele maatschappij gezond gedrag nog meer kan stimuleren en bevorderen. Het meest effectieve beleid, aldus Van den Berg, is een integrale aanpak gericht op verschillende doelgroepen, bestaande uit verschillende maatregelen, opgezet via verschillende routes. “We gaan de goede kant op, maar het moet nog beter. Kortom, er is werk aan de winkel!”