In Nederland krijgt het thema gezondheid binnen de voedingsindustrie steeds meer aandacht. De consument is zich in toenemende mate bewust van de risico’s van een slecht voedingspatroon, en producenten en retailers zien steeds meer hun rol in wat betreft het bevorderen van de Nederlandse gezondheid. Omdat smaak, gemak en betaalbaarheid belangrijke factoren blijven bij de keuze voor voedsel, wordt achter de schermen hard gewerkt om ongemerkt de inname van bepaalde voedingsstoffen te reguleren, met als doel een gezonder productaanbod.

Op het gebied van voeding zijn verschillende trends zichtbaar, vertelt Marc Jansen, directeur van het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL). Zo neemt duurzaamheid toe en wordt er meer gebruikgemaakt van informatietechnologie en data. Gezondheid staat echter met stip bovenaan qua aandacht. “Dit wordt mede ingegeven door het feit dat mensen goed voor zichzelf willen zorgen. Daarnaast kunnen we niet ontkennen dat overgewicht de afgelopen jaren een nijpend probleem is geworden.” Marian Geluk, directeur van Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI), vult aan dat in Nederland gemiddeld gezien sprake is van overgewicht (BMI van meer dan 25) en dat er te veel mensen zijn met obesitas en daaraan gerelateerde ziekten. “Toch is Nederland relatief en gemiddeld gezien wel een slank land als je het vergelijkt met de rest van de westerse wereld waar net zo’n uitgebreid voedingsaanbod voorhanden is.”

Invloed op voedingsaanbod

Binnen de levensmiddelenindustrie speelt de focus op gezondere voeding eigenlijk al jaren, stelt Geluk. In de jaren negentig is men met dit doel in gedachten al begonnen met het herformuleren van bestaande producten, waarbij ingezet werd op een reductie van zout, verzadigd vet en calorieën. In het huidige tijdperk krijgt deze verlaging nog altijd veel aandacht. Dit is erg belangrijk omdat zowel te veel zout als te veel calorieën (vet en suiker) een slechte invloed hebben op het lichaam, vertelt Geluk. Zout kan een hoge bloeddruk tot gevolg hebben, en overgewicht ontstaat door een disbalans tussen het aantal calorieën dat iemand tot zich neemt en verbrandt.

Door deze trends ziet Jansen de behoefte aan verse producten groter worden. Niet alleen binnen supermarkten, maar ook bij andere voedselbezorgers spelen gezonde maaltijden een steeds grotere rol. Door dit aanbod te vergroten en de focus erop te leggen, kunnen voedingsaanbieders de consument verleiden gezondere producten te kopen. “Op die manier kunnen mensen hun eigen gezondere keuzes maken. Niemand houdt er immers van betutteld te worden.” Juiste informatie is hierbij essentieel, aldus Jansen. Consumenten vinden het steeds belangrijker om goed te weten welke stoffen en welke nutriënten in hun producten zitten, waardoor de informatievoorziening op etiketten en in online apps de laatste jaren een vlucht heeft genomen.

Gedachteloos consumeren

Volgens Geluk kan de voedingsindustrie mensen wel helpen met mindless minderen. Mensen maken tweehonderd, veelal onbewuste, eetkeuzes per dag. Daarbij willen zij niet continu moeten nadenken wat de beste keuze is. Ze legt uit dat als mensen 5 procent calorieën kunnen verwijderen uit hun dagelijkse dieet, zij aan het einde van het jaar vijf kilo lichter zijn. “Het gaat om ongeveer 110 calorieën per dag, dat is een kleine banaan. Dat klinkt als een kleine moeite, maar toch blijkt het lastig voor mensen. De industrie kan hierbij helpen.” Ze noemt het voorbeeld van een koek; als de fabrikant ervoor zorgt dat er minder calorieën in zitten, krijgen consumenten mindless minder calorieën binnen.

Acties vanuit de industrie

Om een reductie in zout, verzadigd vet en calorieën in producten te bewerkstelligen, is in 2014 het Akkoord Verbetering Productsamenstelling tot stand gekomen tussen de brancheorganisaties van supermarkten en groothandel (CBL), levensmiddelenindustrie (FNLI), horeca (KHN), cateraars (Veneca) en het ministerie van VWS. Jansen legt uit dat de supermarkten voor 2014 al bezig waren met het thema gezondere producten, en dat twee convenanten over overgewicht de voorlopers waren van het akkoord. “In 2014 is besloten om een extra stap te zetten en producten inherent gezonder te maken op basis van de adviesrichtlijnen van de Gezondheidsraad voor zout, suiker en verzadigd vet.”

Geluk vult aan: “Het goede van dit akkoord is dat hiermee in de volle breedte van een productgroep afspraken zijn gemaakt. Hierdoor zijn er geen echte uitschieters meer binnen die productgroep.” Daarnaast is dit van groot belang omdat bedrijven anders naar elkaar gaan kijken en wachten met het zetten van stappen, uit angst marktaandeel te verliezen. In het kader van het Akkoord worden per productgroep afspraken gemaakt. Bij zout gaat het bijvoorbeeld om brood, kaas en vleeswaren; bij calorieën om zuivel, banket en zoetwaren en dranken; en bij verzadigd vet om kaas, banket en zoetwaren, vlees en vleeswaren. Niet voor iedere categorie gaan de ontwikkelingen even hard, vertelt Geluk. Zo waren op het gebied van zout al significante reducties bereikt voor het akkoord en is de reductie van zout in brood zelfs wettelijk vastgelegd. Daarentegen zijn voor het aantal calorieën in koek en snoep nog geen specifieke afspraken gemaakt. “Het goede nieuws is wel dat iedereen weet dat koek en snoep niet gezond zijn. Toch zouden ook daar partijen de consument kunnen helpen om hun calorieëninname te minderen.”

Ongemerkt en geleidelijk

Jansen benadrukt dat het aanpassen van bestaande producten ongemerkt en geleidelijk moet gebeuren: de fabrikanten moeten het gewoon doen, zonder dat de consument het hoeft te merken. “Wanneer op verpakkingen wordt gezet ‘nu met 20 procent minder zout’, kan het zo zijn dat mensen zonder erbij na te denken zelf zout gaan toevoegen aan het product.”
Daarnaast moet de reductie geleidelijk gebeuren, net zo geleidelijk als dat bij de toename gebeurd is. Mensen moeten er aan kunnen wennen. Dit beaamt Kees de Graaf, hoogleraar Sensoriek en eetgedrag aan de WUR. Hij legt uit dat het moeilijk is om smaakvoorkeuren van mensen te veranderen, met name bij zoet en zout. De voorkeur voor zoet is aangeboren en voor zout ontstaat de voorkeur na de eerste zes maanden van iemands leven.

“Je ziet wel wat verschillen per land en cultuur, maar de algemene voorkeur voor zoet en zout zijn hard wired in ons systeem. De inname hiervan krijg je dus niet een, twee, drie omlaag.” Er zit zeker wel speelruimte, aldus De Graaf, maar het moet dus wel echt langzaam gaan. Hij legt verder uit dat de reducties niet vervangen moeten worden door een andere voedingsstof die ook energie oplevert. Als voorbeeld noemt hij het vervangen van verzadigd vet in producten door koolhydraten. Dan schiet men er qua energie nog niets mee op.

Ambities en uitdagingen

Het Akkoord Verbetering Productsamenstelling loopt af in 2020. Wat zijn de plannen voor daarna? Geluk en Jansen geven aan dat het bedrijfsleven ook na het aflopen van het akkoord volop door blijft gaan met het maken van afspraken. De markt vraagt hierom, want gezondheid blijft hoog op de agenda staan, en ook bedrijven willen het onderwerp zelf op de kaart houden. Zo zien veel organisaties voordelen in een verregaande reductie omdat ze hier een voortrekkersrol mee kunnen bewerkstelligen, en op die manier marktvoordeel kunnen behalen. De industrie werkt daarom momenteel ook aan een preventieakkoord, samen met de overheid, waarbinnen het kijkt welke snellere en betere stappen nog gezet kunnen worden.

De Graaf is ook groot voorstander van het doorzetten van de inspanningen onder het akkoord, zij het onder toeziend oog van een onafhankelijke commissie die nieuwe afspraken kan monitoren. “Het akkoord geeft goede handvatten aan bedrijven, maar het is nu opgesteld door de industrie. Dan is het niet heel gek dat het minder snel opschiet.” Los daarvan is het aanpassen van producten en iemands eetvoorkeuren een proces van lange adem. Er moet volgens hem continu aan gewerkt worden omdat het een ingewikkelde kwestie is. Dit komt mede door wat er technologisch gezien mogelijk is. Zout, suiker en vet bevatten eigenschappen die niet makkelijk te vervangen zijn. Als gevolg hiervan zit er een grens aan het herformuleren en kan het wellicht langzamer gaan dan gewenst is. “Het is een complex geheel, want consumenten willen dezelfde smaak behouden, maar geen andere additieven of e-nummers op het etiket zien”, vertelt Jansen. Dit terwijl deze additieven en e-nummers volgens Geluk veilig zijn en kunnen bijdragen aan het terugdringen van het echte risico: obesitas.

‘Eten moet leuk blijven’

Natuurlijk zijn herformuleringen van producten niet voldoende om de gezondheid van de Nederlandse consument te verbeteren. De Graaf stelt dat de voedselomgeving stapje bij stapje in een minder obesogene richting moet veranderen. Alleen zout, suiker en vet omlaag brengen is volgens hem niet de meest efficiënte manier. De strijd tegen overgewicht
en hart- en vaatziekten moet volgens hem ook gaan om de energiedichtheid, de hoeveelheid energie per gram van een product, en de structuur van producten. “Hoe makkelijker je iets eet, hoe meer je ervan eet. Je eet niet zo een pond appels, maar een zak chips kun je daarentegen wel snel eten.” Hij is dan ook van mening dat naast een reductie van zout, suiker en vet, ook gewerkt moet worden in het omlaag brengen van de energiedichtheid.

Tot slot benadrukt De Graaf dat een gezondere voeding mét behoud van smaak de grootste uitdaging voor de toekomst is. Mensen moeten gewoon nog kunnen blijven genieten van lekker eten. Wanneer dit eten dan minder gezond is, moet er minder van gegeten worden. Op die manier kan men in kleinere porties toch nog genieten. “Eten is voor veel mensen iets leuks, een positieve emotie en dit moet zo blijven. Als je alle smaak uit voeding haalt, dan is er niet veel meer aan om te eten. Smakeloze voeding, daar zit niemand op te wachten!”